Kamer zoekt naar waarde van dier

Wat mag wel of niet met een dier? De nieuwe Wet dieren zou consequenties kunnen hebben voor veehouders, maar de minister laat zich niet vastpinnen.

Hoe mogen of moeten we dieren behandelen? Over deze vraag boog de Tweede Kamer zich de afgelopen dagen bij behandeling van de Wet dieren. De Kamer constateerde een grote leegte in de wet. Op welke principes baseren wij ons?

Het wetsvoorstel is belangrijk voor boeren en dierenartsen en zou grote economische consequenties kunnen hebben. Indien de wetgeving ertoe zou leiden dat dieren in de intensieve veehouderij veel meer bewegingruimte zouden moeten krijgen, zou dit miljardeninvesteringen met zich meebrengen. Het voorstel moet een vijftal wetten vervangen en eenheid brengen in de wetgeving rond dieren. Juist daarom mist de Kamer basisprincipes.

Het wetsvoorstel begint wel met de constatering dat „de intrinsieke waarde van het dier wordt erkend.” „Maar”, zei Marianne Thieme (Partij voor de Dieren) gisteren tegen minister Verburg (Landbouw, CDA), „ik weet nog steeds niet wat hiermee wordt bedoeld.” Die kritiek kwam niet alleen van links. „Voor ondernemers zou het ook beter zijn als er duidelijkere normen waren”, stelde Janneke Snijder (VVD) twee minuten later.

Krista van Velzen (SP) heeft per amendement de zogeheten Vijf Vrijheden van Brambell voorgedragen als invulling. De Britse hoogleraar Roger Brambell stelde in de jaren zestig dat een dier vrij moet zijn van dorst, honger en onjuiste voeding; van fysiek en fysiologisch ongerief; van pijn, verwonding en ziektes; van angst en chronische stress; en vrij moet zijn om natuurlijk gedrag te vertonen.

Verburg probeerde soms inhoudelijk te antwoorden, zoals de vaststelling dat het ook „de eigenheid van het dier” omvat. Maar uiteindelijk stelde ze steeds dat er veel belangen in het spel zijn zoals milieu, economie of volksgezondheid, en dat ze in verschillende gevallen tot verschillende besluiten zal komen. De praktische uitwerking van de wet wil ze namelijk regelen via aparte Algemene Maatregelen van Bestuur want „er is geen formule die overal op past”.

Alleen het CDA steunde haar. Woordvoerder Ormel maakte bezwaar tegen al te veel liefheid voor de dierenwereld. „In een partij als het CDA is er een wezenlijk onderscheid tussen dier en mens”, zo formuleerde hij het christelijke principe.

De oppositie ziet de bui al hangen. Staat er immers niet in de wet dat de regels er ook zijn „ter bevordering van de afzet van dierlijke producten”? De intensieve veehouderij heeft natuurlijk het meest te vrezen van een strenge wet. Stel dat de vrijheid om natuurlijk gedrag te vertonen in de wet wordt verankerd, en mensen gaan de vraag stellen of dat wel strookt met het feit dat vleesvarkens en vleeskippen hun gehele leven in een stal zitten en nooit het zonlicht zien? Dan heeft een grote bedrijfstak een groot probleem. „Het bevorderen van afzet kan natuurlijk nooit het doel zijn van deze wet”, stelde Van Velzen al tijdens de eerste debatdag, dinsdag.

Uiteindelijk tekende zich een mogelijke meerderheid af voor het definiëren van „intrinsieke waarde”. Alle linkse partijen voelen er voor en ook Snijder van de VVD is „bereid om verder te kijken”.

Voor zelfverklaard dierenbeschermer Dion Graus (Partij van de Vrijheid) was deze discussie maar „Haags geneuzel”. Hij wil een einde aan ritueel slachten, instellen van een dierenpolitie en alle „dierenhufters” in de cel.

Haalt de wet het? De meeste partijen lijken niet overtuigd door het huidige voorstel. Er zijn tientallen amendementen ingediend. Uit onverwachte hoeken kwamen al waarschuwingsschoten voor de minister. „Ik sluit niet uit dat bepaalde amendementen de eindstreep halen. Dat is mijn politieke uitsmijter”, zei Van der Vlies (SGP) gisteravond. Even later zei VVD’er Snijder tegen Thieme: „Wacht u maar af. Het zou u kunnen verrassen waar wij allemaal vóór gaan stemmen.” Het debat wordt na het herfstreces vervolgd.