Helaas is deze wereld niet mooi

Renske de Greef schreef een roman over jonge vrijwilligers in Afrika: En je ziet nog eens wat. Het boek verschijnt komende zaterdag.

In deze voorpublicatie bespreekt de hoofdpersoon uit het boek de reis en het fenomeen ontwikkelingshulp.

Dus mijn moeder zei: ‘Marte, had je het nou over een inzamelingsactie? Voor wat dan?’

‘Ja, ik weet niet precies, iets met kindertjes in Afrika.’ Ze dacht na. ‘Guatamala? Ecuador? Nee, toch Afrika. Iets met aids, geloof ik. Nee. Andere ziekte. Iets met… Het was voor de albinokindertjes. Ja, dat was het. Zeker. De albinokindertjes. Ja, die hebben het héél zwaar. In Afrika dus. Heel misschien toch India.’

‘Nou, ik vind het heel goed dat je je daarvoor inzet’, zei mijn moeder. ‘Het getuigt van heel wat naastenliefde.’

Nu maakte Willem een geluid. Een soort kuchje. Nee: het was een lachje. Een besmuikt lachje.

Mijn moeder keek verbaasd op.

‘Ik heb Mart sterk afgeraden om ooit nog zoiets te doen’, legde Willem uit.

Hij zei ‘Mart’. Alsof de laatste letter van haar naam hem te veel was.

Mijn moeder lachte niet-begrijpend. ‘Hoezo? Het is toch goed om te helpen, iets voor een ander te doen?’

‘Nou ja. Misschien boodschappen doen voor je gehandicapte buurvrouw. Maar in het geval van Afrika…’ Weer deed hij zijn lachje. Het lachje zei: HAHAHAHAHAHA WAT ZIJN JULLIE DOM. Maar dan stiekem.

‘Ik begrijp het niet’, zei mijn moeder.

Willem zuchtte, pakte zijn glas wijn en nam een grote slok. ‘Kijk, het gaat niet goed met Afrika. Afrika is rot. Het is een verpest continent. Ja, dat is onze schuld. Wij hebben het gekoloniseerd, uitgebuit, en daarna hebben we ons schuldgevoel proberen af te kopen met ontwikkelingshulp. Met goede doelen en projectjes. We zeiden: “Gaat het niet zo goed? Wacht maar, hier heb je geld. Is het geld op? Wacht maar, hier heb je meer geld.” Maar dat is fout gegaan. Want wat is er gebeurd? Het hele continent is nu gevuld met aartsluie mensen die de hele tijd hun hand ophouden. Het land wordt geteisterd door burgeroorlogen en aids, corruptie is aan de orde van de dag. En het blijft: “Geef meer geld, geef meer geld.” Is dat goed gebruikt? Heeft het geholpen? Kent Afrika nu eindelijk één land met een welvarende economie? Nee.’ Hij leegde zijn wijnglas in één teug.

Mijn moeder hield enigszins beduusd haar mond.

‘Nou’, zei ik. ‘Dank je wel. Ik zal het onthouden. Voor de volgende keer als ik op tv beelden van een hongersnood zie. Je weet wel, van die aartsluie mensen die de hele tijd hun hand ophouden tijdens het sterven.’

Willem keek me aan. Zijn ogen fonkelden en hij lachte. ‘Denk jij dat? Dat dat geld naar stervende mensen gaat?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Waarom niet?’

‘Dat is wel een beetje naïef, vind je niet? Dat geld wordt ingepikt door regeringen. Of door warlords, of weet ik veel wie in zo’n land de baas speelt. Die pakken jouw zuurverdiende centjes en geven het uit aan coke en villa’s en panterhuiden op de vloer.’

‘Ik weet niet wat naïever is: denken dat geld van goede doelen niet gaat naar de mensen die hulp nodig hebben, of denken dat Afrikaanse warlords pantervellen op de vloer hebben.’ Ik keek hem met een half lachje aan. Blijdschap uiten op een hoogst denigrerende manier konden we allebei.

Nu was Willem pissig. Ik zag het aan de manier waarop hij zijn wijnglas vasthield. Het had niets meer met het hof van Lodewijk XIV te maken. Dit was Eurocafé Het Hoekje-stijl. Mijn moeder voelde de sfeer langzaam omslaan en kuchte geforceerd luchtig. ‘Iemand nog meer wijn? Of aardappeltjes? Ik heb nog in de keuken.’

‘Ontwikkelingshulp werkt niet.’ Willem hield zijn blik strak op mij gericht. ‘Die mensen daar leren niets. Niks komt er van de grond, iedereen blijft zelfzuchtig, egoïstisch en lui, en daar bouw je geen economie mee op. Ja, een “help mij ik ben zielig”-economie, en dat doen ze, al jaren. Ik wil daar niet aan meedoen. Ontwikkelingshulp is een illusie: er wordt niks ontwikkeld.’

‘Wat bedoel je nou?’ vroeg ik. ‘Dat negers lui zijn?’

Marte, die tot dat moment had zitten luisteren, slaakte een verontwaardigde kreet. ‘Nou ja, Guusje, wat zit jij te insinueren? Doe even niet zo a-relaxed alsjeblieft.’

Willem keurde haar geen blik waardig en leunde weer ontspannen achterover. ‘Dat is dus het probleem, Guusje, dat je het nooit zonder deze insinuatie over dit probleem kan hebben. Mag ik nog wat wijn?’ Met een gebiedend gebaar hield hij zijn glas omhoog.

‘Oké. Dus jij zegt dat al die goede doelen die daar zitten, alle ontwikkelingswerkers, alle mensen die hun best doen om het leven daar te verbeteren, dat die allemaal niks doen?’

‘Ik zeg niet dat ze niks doen. Er zijn daar een hele hoop projecten, rond aids of water of scholing. Ik zeg dat het niet werkt. Het heeft geen zin.’

Ik had inmiddels bijzonder veel zin om mijn vork in zijn wang te planten. In die guitige, knappe wang van hem, met dat lieflijke kuiltje erin. Natuurlijk wist ik niet precies waar ik het over had. Maar dat betekende niet dat hij gelijk had.

‘Sorry’, zei ik zo welgemanierd-hatelijk als ik kon. ‘Maar ik kan me echt niet voorstellen dat jij dit meent. Er zijn daar mensen aan het werk die iets proberen te betekenen voor anderen. En jij doet daar minachtend over? Ik vind dat nogal lef hebben.’

Hij hield zijn hoofd meelevend schuin. ‘Ach, Guusje. Ik vind het op mijn beurt heus lovenswaardig dat jij nog in zulke mooie wereldbeelden denkt. Helaas is de wereld niet zo mooi. Maar dat maakt niet uit, daar kom je nog wel achter.’

‘Ja, is dat zo? En hoe ben jij er dan achter gekomen? Ben je eigenlijk ooit in Afrika geweest?’

Willem keek smalend om zich heen, op zoek naar andere mensen om samen mee te smalen. ‘Je hoeft niet ergens geweest te zijn om er verstand van te hebben.’

‘Maar het helpt vast wel een beetje mee, nietwaar?’

‘Nou, Guusje, als je er zo over denkt, ben jij er geweest?’

Het duurde even voordat ik antwoordde. ‘Nee’, zei ik stuurs.

‘Nou dan’, zei hij triomfantelijk. ‘Hoe weet je dan dat jouw versie klopt?’

‘Dat weet ik niet.’

Dit ging niet de goede kant op.

Willem deed weer zijn lachje, maar dit keer probeerde hij niet meer zijn minachting te verdoezelen. ‘Sorry, Guusje, maar ik denk dat ik er dan wel nét iets meer van weet dan jij.’

‘Maar ik ga er wél heen’, zei ik toen.

‘Wat?’ zeiden mijn vader, moeder en zus tegelijkertijd.

‘Wat?’ zei ook Willem, lachend.

En dat was ook wat ik dacht: WAT? Maar dat kon ik uiteraard niet helemaal toegeven.

‘Ja’, zei ik met inmiddels voelbaar gloeiende wangen. ‘Ik ga er wel heen.’

‘Hoe dan?’ vroeg Willem. ‘En wat ga je dan doen?’

Ik haalde mijn schouders op en probeerde in die tijd razendsnel na te denken. ‘Na mijn eindexamen.’

‘Vrijwilligerswerk of zo’, zei Willem.

‘Ja’, zei ik, van binnen verheugd omdat hij meteen zo’n goed klinkend voorstel had genoemd. ‘Vrijwilligerswerk. In Afrika.’ Ik keek hem strak aan en zei met alle morele superioriteit die ik in me had: ‘Ik ga proberen iets goeds te doen. En dat is meer dan jij kan zeggen.’

‘Guusje, dat wist ik helemaal niet,’ riep mijn moeder uit. ‘Hier gaan we het nog wel even over hebben hoor.’

Marte maakte een gnuivend geluid. ‘Echt weer zo’n Guus-idee. Naar Afrika. Ik zou echt nooit naar Afrika willen. Nou ja, misschien een keer naar Tunesië, het strand is daar heel mooi.’

Ik keek haar zo neutraal mogelijk aan. ‘Ja. Interessant. Moet je doen.’

‘Nou’, zei Willem.

Het was stil.

‘Ja’, zei ik.

‘Dan wens ik je vooral veel succes.’

‘Misschien’, zei mijn vader, ‘kunnen we deze interessante discussie later voortzetten. Mocht dit woeste plan doorgaan, Guusje, dan kun jij ons daarna wellicht veel meer vertellen.’ Opgelucht haalde hij adem. ‘Voor nu: wil er iemand zelfgemaakte îles flottantes?’

‘Graag’, zei ik. En dacht: O mijn god. Ik moet naar Afrika.

De roman ‘En je ziet nog eens wat’ van Renske de Greef verschijnt op 10 oktober bij Uitgeverij Meulenhoff, 15 euro.