De bèta's hebben hun Nobelprijs al

Onderzoek naar slijtage van cellen is beloond met de Nobelprijs voor geneeskunde.

Maar veroudering en kanker zijn nog niet opgelost.

Veel biologen zal het niet verbaasd hebben dat de Nobelprijs voor geneeskunde ooit zou gaan naar de ontdekkers van telomeren en telomerase. Deze week gebeurde dat, dertig jaar na dato. De Amerikanen Elizabeth Blackburn, Carol Greider en Jack Szostak kregen de prijs voor hun ontdekking van het mechanisme dat chromosomen beschermt tijdens de celdeling, en daarmee de veroudering van cellen tegengaat.

Zo’n mechanisme is een heilige graal in de medische wetenschap: als je veroudering kunt sturen, dan komt het eeuwige leven in zicht, evenals het einde van kanker. De Amerikaanse ontdekking veroorzaakte daarom een storm aan onderzoeken en speculaties – tot op de dag van vandaag.

Chromosomen zijn net veters: langgerekte moleculen DNA. Aan de uiteinden van die strengen zitten beschermstukjes, net als bij echte veters. Deze ‘telomeren’ zorgen ervoor dat de strengen niet te snel slijten tijdens het kopiëren. De kopieerstap is nodig bij iedere celdeling, opdat de twee dochtercellen elk een volledige set DNA kunnen meekrijgen.

Dat er daarbij aan het eind van de DNA-streng slijtage optreedt, had James Watson in 1972 al vastgesteld – hij is een van de ontdekkers van DNA. Maar hij begreep niet hoe het kan dat een cel er pas na zo’n vijftig celdelingen mee ophoudt, en waarom geslachtscellen, stamcellen en kankercellen die slijtage niet vertonen en feitelijk het eeuwige leven hebben.

Dat probleem losten de drie Nobellaureaten in de jaren zeventig en tachtig op. Ze ontdekten dat er aan het einde van elk chromosoom een stukje ‘loos’ DNA zit: het telomeer. Dat slijt ook bij iedere deling, maar de cel ondervindt pas hinder als het telomeer ‘op’ is.

Intussen werd duidelijk dat er iets was wat ervoor zorgt dat het telomeer in bepaalde cellen niet slijt. De Amerikanen ontdekten dat een enzym hiervoor verantwoordelijk is. In die cellen repareert dit enzym, telomerase, het telomeer bij elke celdelingsronde.

Telomerase werd daarmee een potentieel wondermiddel. Als je het enzym zou kunnen uitschakelen in kankercellen, zou de tumorgroei stoppen. En als je het in de rest van je lichaam juist zou activeren, dan zou je minder snel verouderen.

„Maar aanvankelijk was dat helemaal niet waarom iedereen zo enthousiast was”, aldus de Nederlandse telomerenexpert Titia de Lange, hoogleraar celbiologie en genetica aan Rockefeller University in New York. „Dat was enkel omdat dit raadsel was opgelost. Het was een puur fundamentele kwestie.” En gelukkig vond het Nobel-comité dat ook, voegt ze eraan toe. „Klinische toepassingen zijn er nog niet. Er is nog geen enkel medicijn waarmee we telomerase kunnen aan- of juist uitschakelen.”

Het klinkt simpel, telomerase aan- en uitschakelen. De reden dat het toch nog niet kan, legt De Lange uit, is dat er meerdere factoren een rol spelen bij zowel kanker als veroudering. Alléén de DNA-slijtage besturen heeft te weinig effect. Bovendien moet er dan, in het geval van kanker, een telomeraseremmend molecuul worden gemaakt of gevonden dat klein genoeg is om in de kankercellen terecht te komen. „Dat is nog niet gebeurd”, zegt De Lange. „En stel dat er een crème zou zijn met een telomerase-activator erin, zou je die dan op je gezicht willen smeren tegen de rimpels? Ik denk het niet. Dat lijkt me doodeng: wie weet wat je voor ongeremde celgroei krijgt.”

Veel vragen zijn nog onbeantwoord. We weten inmiddels dat mensen met hartfalen kortere telomeren hebben dan gezonde mensen – maar zijn die korte telomeren dan ook de oorzaak van het hartfalen? We weten ook dat als kankerpatiënten gezonder gaan eten en meer gaan bewegen, de telomerase-activiteit in hun afweercellen toeneemt. Maar hoe dat werkt en of het de kanker remt, is nog onduidelijk. De Lange: „Of er ooit praktische toepassingen komen, weet niemand.”