Vrolijke agnost in een koud heelal

A.J. Dunning bestreed misstanden in de zorg, geloofde niet in God, was tegen de monarchie en kon prachtig schrijven.

Het was een van zijn geliefde metaforen. Geneeskundige kennis is een eiland in een oceaan van onwetendheid. „Dat eiland wordt steeds groter. Daarmee neemt de kustlijn ook in lengte toe en zien we des te beter wat we niet weten.”

De cardioloog Ad Dunning, die gisteren op 78-jarige leeftijd na een operatie aan slokdarmkanker in Amsterdam overleed, heeft zijn hele leven gewezen op de beperkingen van de medische wetenschap en gewaarschuwd tegen de overspannen verwachtingen die de mens heeft, zodra hij tegenover de ‘witte jas’ staat. „Men verwacht wonderen, vooral bij ziektes die nu nog bijna onbehandelbaar zijn. Mensen hebben een diep ingesleten behoefte aan magie”, zei hij in een interview in het tijdschrift Medisch Contact in 2007.

Arend-Jan Dunning werd in 1930 geboren in een gereformeerd milieu in Arnhem. Naar eigen zeggen werd hij per toeval cardioloog. Hij studeerde medicijnen aan de Universiteit van Amsterdam en was van 1980 tot 1994 hoogleraar cardiologie, verbonden aan het Amsterdams Medisch Centrum.

Dunning was ook een getalenteerd schrijver. In juni van dit jaar ontving hij van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen de Van Walreeprijs voor medische wetenschapscommunicatie voor zijn omvangrijke oeuvre. Hij schreef talloze essays, columns – van 1982 tot 1993 in NRC Handelsblad – en een vijftal boeken, zoals Broeder Ezel (1981), Stof van dromen (1997), Betoverde wereld (1999) en Post Mortem (2003).

Dat laatste boek had als ondertitel ‘gesprekken in het vagevuur’: mensen in het schemergebied tussen hemel en hel doden de tijd met discussies over de hoofdzonden van het aardse bestaan. Dunning, die zichzelf een ‘vrolijke agnost’ noemde, citeerde graag de uitspraak van de Franse filosoof Pascal: de mens is een zwak, maar denkend riet. Het grootse van de mens is dat hij weet heeft van zijn sterven, aldus Dunning in Medisch Contact. Of, zoals hij in 1992 schreef in zijn droge maar parelende stijl in de wetenschapsbijlage van NRC Handelblad: „We leven in een koud heelal dat geen weet van ons heeft, zonder God of gebod en onze oorsprong of toekomst kennen we niet. We moeten er met elkaar het beste van zien te maken, maar iedere krantelezer weet dat het niet meevalt.”

Dunning drukte graag zijn stempel op het gezondheidsbeleid. Hij was voorzitter of lid van een aantal gezaghebbende commissies, zoals de commissie-Dekker die advies uitbracht over de structuur en financiering van de gezondheidszorg en van de commissie-Keuzen in de zorg. Die laatste stelde nieuwe criteria vast voor vergoeding van ziektekosten door het ziekenfonds. Dunning pleitte voor ethische keuzes bij het vaststellen van die criteria: alleen gezondheidszorg die noodzakelijk, werkzaam en doelmatig is en niet door de patiënt zelf bekostigd kan worden, verdient het vergoed te worden in het basispakket met collectief verzekerde zorg. Zo ontstond de term ‘de trechter van Dunning’. Die ethische keuzes leidden tot stevige discussies, maar overheid en politiek besloten uiteindelijk om de gezondheidszorg voor een steeds groter deel aan de markt over te laten.

Over de gezondheidszorg in Nederland zei Dunning: „Als we al iets te klagen hebben is het dat de gezondheidszorg te ver is doorgeschoten. Nederlanders, met name rijke Nederlanders, zijn bang voor ziekten, bang de controle over hun lichaam te verliezen.”

In 1994 was de PvdA’er Dunning voorzitter van de commissie die de kandidatenlijst opstelde voor een geheel vernieuwde PvdA-fractie voor de Tweede Kamer. En in 1996 deed hij van zich spreken als een van de oprichters van het Republikeins Genootschap. Als het om genetisch bepaalde erfopvolging gaat, dan zijn er onder het gewone volk net zo goed troonpretendenten te vinden, betoogde Dunning. „In de allereerste plaats blijken ze [de Oranjes] buitenechtelijke nakomelingen in vrijwel elke generatie te hebben, die genetisch dichter bij Willem van Oranje staan dan de huidige familie.” Typisch Dunning.