Voor wederopbouw is wel bouwgrond nodig

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de wederopbouw in Afghanistan.

In het tijdschrift Newsweek stond onlangs een cartoon met daarop een groot Amerikaans legerkonvooi dat naar Afghanistan trok. Langs de weg waren zes grafstenen afgebeeld met de namen van het Mongoolse Rijk, Alexander de Grote, het Mogoelrijk, het Britse Rijk en de Sovjet-Unie. Het laatste graf was alvast gereserveerd voor de Verenigde Staten.

De cartoon geeft treffend weer hoe hoog gegrepen de Amerikaanse inval in Afghanistan eigenlijk is geweest. Vanuit historisch perspectief lijkt de missie om het land naar westerse snit te democratiseren kansloos. Talloze wereldheerschappijen vonden er al hun Waterloo. Zelfs de grootste veroveraar aller tijden, Djengis Khan, kon het onherbergzame gebied niet onder controle houden – net als de Russen, die zich in 1989 na negen bloedige jaren op de regio stukbeten. De Afghaanse Mujahideen wisten het Sovjetleger tegen de verwachting in te verdrijven, mede door de steun van de VS. Dat maakt de huidige oorlog des te ironischer: de Amerikanen nemen het nu op tegen een land dat ze tijdens de Koude Oorlog nog hielpen bewapenen.

Succes is tot nu toe dan ook uitgebleven. Het Talibaanregime werd in eerste instantie nog gemakkelijk omvergeworpen, maar volgens de laatste schattingen hebben de circa 45.000 Talibaan inmiddels weer ruim 80 procent van het land bezet. De Amerikaanse legerleider Stanley McChrystal waarschuwde kortgeleden nog dat zonder extra troepen de oorlog „vermoedelijk zal eindigen in een mislukking” – het zoveelste signaal dat de situatie in Afghanistan uitzichtloos lijkt.

In dit licht is de wederopbouwmissie, waar Nederland aanvoerder van is, al helemaal onbegonnen werk. Als zelfs Amerika al mankracht tekort komt, hoe succesvol kunnen de kleine 1.700 Nederlandse militairen dan zijn? Iedere school of brug die in de provincie Uruzgan gebouwd wordt, loopt het acute risico weer verwoest te worden door vijandige guerrilla’s. Nederland krijgt weliswaar steun van andere coalitietroepen, maar de vraag is hoe lang nog: overal begint de steun voor de missie weg te ebben.

Daarbij komt dat de definitie van ‘succes’ volstrekt onduidelijk is. Stel dat de Talibaan uit Uruzgan worden verdreven. Dan nog is slechts een kleine drie procent van het land veiliggesteld – vergelijkbaar met de bevrijding van, zeg, alleen Zuid-Limburg uit handen van de nazi’s. Zouden de Verenigde Staten erin slagen van heel Afghanistan een functionerende democratie te maken, dan is bovendien de kans nog steeds aanzienlijk dat het land binnen afzienbare tijd in een zelfgekozen islamitische theocratie vervalt.

Het meest wezenlijke probleem in Afghanistan, evenals in Irak, schuilt dan ook niet in de militaire capaciteit of strategie, maar vooral in de filosofie erachter, zegt de Amerikaans-Iraanse denker Vali Nasr in zijn boek Forces of Fortune (2009). De filosofische aanname die het Westen namelijk hanteert is dat democratisering van bovenaf kan worden geïnitieerd: het dictatoriale regime wordt met een leger verdreven, er worden verkiezingen uitgeschreven – en vervolgens hoopt men dat de democratie van onderaf, door de bevolking, wordt omarmd. Deze topdownstrategie blijkt in de praktijk niet te werken. Niet voor niets heeft president Obama er inmiddels grote twijfels over geuit.

Sommige critici wijten het falen aan de invloed van de islam in het Midden-Oosten. De islamitische ideologie zou onverenigbaar zijn met democratische waarden en democratisering dus onmogelijk maken. Maar Nasr wijst een andere oorzaak aan: het ontbreken van een open economie. Want, zo zegt Nasr, „waarden worden niet omarmd in een vacuüm”. Ze krijgen pas voet aan de grond als ze „de economische en sociale belangen van mensen dienen”. Volgens Nasr benadrukken we in het Westen te zeer het belang van de democratische waarden zélf, zoals stemrecht, vrije meningsuiting en de rechtsstaat, zonder te kijken naar de „economische voorwaarden die eraan voorafgaan”.

Die voorwaarden zijn in Afghanistan, net als in de meeste ondemocratische landen in het Midden-Oosten, niet aanwezig. Afghanistan is een van de meest gesloten economieën ter wereld. Op de export van enkele grondstoffen, tapijten en opium na, is het land volledig afhankelijk van buitenlandse steun. De inkomsten uit de toch al schaarse export, vloeien bovendien grotendeels terug in de zakken van corrupte stamhoofden en krijgsheren. De levensstandaard van gewone Afghanen behoort dan ook tot de laagste in de wereld. Het gemiddelde inkomen ligt volgens de CIA World Factbook rond de 700 dollar per jaar. Het opstarten van eigen bedrijfjes of winkels is nagenoeg onmogelijk: men heeft er de vrijheid én de middelen niet voor.

De consequentie hiervan, zegt Nasr, is dat het land „geen middenklasse heeft die gebaat zou zijn bij het implementeren van een democratie”. De meeste mensen zijn in hun levensonderhoud afhankelijk van de stamhoofden die de westerse coalitietroepen bestrijden – en die stamhoofden zijn van hun machtspositie verzekerd zolang er geen economisch systeem is die deze afhankelijkheidsrelatie kan doorbreken. Of, zoals Nasr stelt: „Zolang het grootste deel van de bevolking leeft van overheidsgeld en geen commercieel belang heeft bij handelsrelaties met anderen, zullen ze niet geïnteresseerd zijn in democratische waarden”.

De theorie van Nasr wordt ondersteund door de historische ontwikkeling van democratieën in het Westen zelf. Ook in Europa kwam de democratie pas over het gehele continent tot wasdom ná de Industriële Revolutie, toen een groot deel van de bevolking welvarend genoeg werd om zich aan de heerschappij van de aristocraten te onttrekken. Uit talloze onderzoeken is dan ook gebleken dat de totstandkoming van een seculiere democratie niet zozeer samenhangt met de afkalvende invloed van religie (ook Europa was tot de 20ste eeuw zeer religieus), maar eerder met een toename van het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking. Zoals de bekende Duitse zegswijze al luidde: ‘Erst kommt das Fressen, dann die Moral’.

Critici die wijzen op de islam als grote blokkade voor democratisering, overdrijven dus sterk de invloed van religie: materiële omstandigheden zijn relevanter. Het verband tussen welvaart en democratie wordt bovendien bevestigd door de theorie die bekendstaat als de vrijheid-olieprijs correlatie. Hoe hoger de olieprijs is, des te minder politieke vrijheid de bevolking in oliestaten heeft, zo blijkt uit onderzoek van het Amerikaanse instituut Freedom House. Daalt de olieprijs, dan neemt de vrijheid bijna evenredig toe. Deze samenhang kan worden verklaard door de mate van afhankelijkheid van het regime ten opzichte van de bevolking.

Is de olieprijs hoog, en dus de inkomsten navenant groot, dan hoeft het regime namelijk minder rekenschap af te leggen aan het volk waarover zij heerst: haar macht is door de oliedollars al gegarandeerd. Nemen de inkomsten uit olie daarentegen af, dan wordt de macht van het regime afhankelijker van binnenlands ondernemerschap – en zal zij bewegingsvrijheid, onderwijs en innovatie moeten stimuleren. Of, zoals de Amerikaanse columnist Thomas Friedman het formuleerde: „Hoe meer olie er voorhanden is, des minder beleid je nodig hebt”.

Voor Afghanistan geldt, helaas, iets soortgelijks. De Talibaan houden zichzelf grotendeels in stand door inkomsten uit de opiumproductie en financiële steun van corrupte leiders uit bijvoorbeeld Pakistan. Zij hebben dus geen enkel belang bij een zelfstandig groeiende binnenlandse economie. Dat maakt de ontwikkeling van een democratisch georiënteerde middenklasse, die baat heeft bij economische samenwerking met anderen, nagenoeg onmogelijk.

De filosofische aanname die wij hanteren bij de democratisering van landen als Afghanistan en Irak is dus als het ware verkeerd om, zegt Nasr: niet de omverwerping van een dictatoriaal regime en het organiseren van vrije verkiezingen leidt tot een functionerende democratie met een welvarende middenklasse, maar het creëren van een welvarende middenklasse leidt tot de omverwerping van ondemocratische heersers en een functionerende democratie.

Dat doel bereiken is gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar duidelijk is wel dat onze huidige strategie in ieder geval niet toereikend is. De Talibaan verdrijven, bruggen aanleggen en scholen bouwen heeft weinig zin zolang de ontwikkeling van een Afghaanse (of Iraanse, of Iraakse) economie met sancties en exportverboden door het Westen wordt gedwarsboomd. Kijk maar naar de snelle ontwikkeling van een redelijk gematigde democratie in Turkije, zegt Nasr: die kwam niet tot stand door Turkse generaals af te zetten en preken over mensenrechten te houden tegen de bevolking, maar door handelsrelaties met het land aan te gaan.

Anders gezegd: onze wederopbouwmissie mag misschien een nobel streven zijn. Maar dan moet er wel vruchtbare grond zijn om op te bouwen.