Praten met de vijand

Afghanistan als een doodzieke patiënt, omringd door kwakzalvers die allemaal met een ander recept voor het reddende medicijn zwaaien. Dit ongeveer is het beeld dat de afgelopen maanden is gegroeid. Een van de meest recente mislukkingen dreigt nu in Pakistan dat voor de operaties in Afghanistan van vitaal belang is.

Vorige week heeft het Amerikaanse Congres ingestemd met een extra hulp van anderhalf miljard dollar. De bedoeling is dat met dit geld terroristische groeperingen op Pakistaans grondgebied zullen worden bestreden en dat de militairen niet zullen proberen zich in de politiek te mengen. Om het geld doelmatig te distribueren moet het personeel van de Amerikaanse diplomatieke vertegenwoordiging ter plaatse worden uitgebreid. Washington wil in Islamabad een nieuwe ambassade bouwen waar duizend mensen kunnen werken. De veiligheid zou moeten worden gewaarborgd door een particuliere Amerikaanse firma, DynCorp.

In Pakistan is dit goedbedoelde plan op hevig verzet gestuit. De omvangrijke Amerikaanse aanwezigheid had onder Pakistani al het gevoel doen ontstaan dat het de kant van een bezetting op ging. Nu, zeggen Pakistaanse politici, gaat het hier steeds meer op Irak en Afghanistan lijken.

Het debat in Amerika over een nieuw beleid in Afghanistan is nog niet afgesloten, maar op het ogenblik ziet het er meer en meer naar uit dat het tot een omvangrijke troepenversterking zal komen, de 40.000 man die generaal Stanley McChrystal heeft gevraagd. En ook zal er waarschijnlijk weer een beroep op de bondgenoten worden gedaan. Een nieuwe kans voor de ministers Van Middelkoop (Defensie, ChristenUnie) en Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA) om Nederland na 2010 nog wat te laten bijtekenen.

Nederland heeft in Uruzgan de afgelopen vier jaar meer dan zijn plicht gedaan, en zolang er geen duidelijkheid is over de strategie die daar straks gevolgd zal worden, kan er, dunkt mij, geen sprake van zijn dat Nederlandse soldaten in een nu nog steeds verslechterende situatie hun leven wagen.

Streven naar verlenging onder de nu geldende omstandigheden is een vorm van nationalistische grootheidswaan. We zijn te klein, we hebben geen noemenswaardige invloed op de strategie, en als we ons met de straks prevalerende inzichten niet kunnen verenigen, staat het kabinet maar één ding te doen: de natie verder afzijdig houden.

Als de Afghaanse praktijk van de afgelopen jaren iets heeft geleerd, dan is het dat meer troepen sturen op den duur een averechts resultaat heeft. Dat heeft de Sovjet-Unie in de jaren zeventig ook al ervaren. Daarbij is het Westen er een paar maanden geleden nog getuige van geweest hoe de democratische verkiezingen zich tot een festijn van corruptie hebben ontwikkeld. Het gevolg is dat een – overigens niet nader becijferbaar – deel van het volk de herkozen president Karzai niet langer serieus neemt. Hoe kunnen we dat redresseren? Door meer soldaten te sturen? Die, naarmate ze talrijker worden, door de plaatselijke bevolking minder als bevrijders en meer als bezetters zullen worden beschouwd, vooral als er bij hun zegenrijke optreden weer eens een paar niet-militaire doelen worden geraakt waarbij een ongeteld aantal burgers het leven laat?

Henry Kissinger heeft een nieuw denkbeeld. Tot dusver, schrijft hij (in de International Herald Tribune van 5 oktober) hebben de grote buren of bijna-buren van de patiënt zich zorgvuldig afzijdig gehouden, met uitzondering van Pakistan dan, dat een dubbelzinnige rol speelt. Maar India, China, Rusland en Iran, allemaal voelen ze de dreigende invloed en geen maakt aanstalten om zich er nader mee te bemoeien. Kissinger denkt aan een soort topconferentie waar dan vermoedelijk het vraagstuk eerst eens rustig zou worden besproken voor de deelnemers eventueel tot een gemeenschappelijk beleid zouden komen. Wie weet. Maar het vooronderstelt wel een bovenmenselijke redelijkheid van de beoogde deelnemers en het lijkt in dit stadium te ingewikkeld om te worden verwezenlijkt.

Na acht jaar oorlog met ups en downs en een reeks van strategische experimenten staan er in ieder geval twee dingen vast: de Talibaan zijn niet verslagen maar sterker geworden, en wij weten nog steeds niet hoe we het groeiende vraagstuk moeten aanpakken. In de Financial Times (5 oktober) komen Maheela Lohdi, oud-ambassadeur van Pakistan in Washington, en Anatol Lieven, een Amerikaanse deskundige met een voorstel dat er realistischer uitziet. Alleen de Afghanen zelf kunnen hun natie opbouwen, is hun redenering. De omvangrijke militaire aanwezigheid van het Westen doet de aanhang van de Talibaan in Afghanistan en Pakistan alleen toenemen. Hoe je het ook wendt of keert, de strijd op zichzelf bevordert het belang van de vijand. De conclusie ligt voor de hand: open het gesprek met de Talibaan, ontwikkel een exit strategy, maak daarvoor een plan dat overtuigingskracht heeft, maar geef daarbij je onderhandelingspositie niet prijs. Zorg er dus voor dat er een alternatief blijft waardoor de Talibaan begrijpen dat het nieuwe initiatief tot wederzijds voordeel strekt.

Praten, serieus onderhandelen met de vijand. Dat is in ieder conflict een gebruikelijke fase. Maar in Afghanistan is het nog niet serieus overwogen. Toch zal het ervan moeten komen. Het onzekere beleid dat nu door het Westen wordt gevoerd heeft tot gevolg dat we van het ene mislukkende experiment naar het volgende worden gejaagd en al doende door een uitzichtloze verwarring worden beslopen. Op die manier bereikt de Afghaanse guerrilla de westelijke hoofdsteden. Misschien is het nu nog tijd om een herhaling van de Vietnamese tragedie te vermijden.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/hofland (Reacties worden opnbaar na beoordeling door de redactie.)