Pochen met krokodillen

Opscheppen wil ik het niet noemen. Maar automatisch gebeurde het dat wie iets vertelde over Indië, in een soort roes terechtkwam.

De leraar Engels op het Haagse Grotius Lyceum was in Indië geweest. In zijn verhalen bevolkte hij de kade van Tandjoeng Priok met geallieerde militairen. Hij kon zo levendig over massale vechtpartijen tussen Australische en Engelse soldaten vertellen, dat je met builen en schrammen naar huis ging.

Je wist dat de werkelijkheid schraler was dan in zijn verhalen beschreven. Toch stond voor mij buiten kijf dat mijn vader niet bang was voor krokodillen. Hij was in Nieuw-Guinea gebleven toen mijn moeder en ik naar Nederland gingen. Op een van de foto’s die hij stuurde, staat hij naast een paar Papoea’s die een dode krokodil omhooghouden. De Papoes naakt op een peniskoker na, pa in korte kakibroek met karabijn.

Jagen was meer een hobby dan een beroep, maar dat hoefden ze op school niet te weten. In een van de gangen van het lyceum hing een enorme, geprepareerde krokodil aan de muur.

Ik liet en passant aan de amanuensis weten dat mijn vader indien nodig kon zorgen voor een reservekrokodil. Hij knikte zwijgend. Er waren wel meer middelbare scholieren die uit Indië kwamen met sterke verhalen.

Maar mijn vader voer daadwerkelijk met een kleine motorboot en een bemanning van Papoea’s door de binnenlanden van Vogelkop. Hij bracht als bosarchitect arealen met wilde sagopalmen in kaart. In zijn woorden waren dat immense, onaangetaste voedselvelden die de honger in de wereld bij juiste exploitatie geheel zouden kunnen stillen.

Na zijn dood gooide ik honderden vergeelde dia’s weg waarop je eindeloze rijen zag van slordig bij elkaar staande sagopalmen. Die jaren tussen de muskieten, wilde zwijnen en vijandige stammen, waren misschien zijn meest gelukkige tijd.

Pa: „Dan kwamen we ’s avonds laat in een kampong aan en terwijl mijn jongens eten klaarmaakten, ging ik zwemmen in de kali. Een keer toen we weer uit zo’n dorp zouden wegvaren, vroeg ik hoe het kwam dat er nooit Papoea’s gingen zwemmen met me. ‘Nou meneer’, vertelde een oude man, ‘die kali’s hier zitten vol krokodillen en die eten mensen’. Ik zeg: ‘Ach, klets. Ik ben toch ook nooit aangevallen?’ ‘Ja’, zegt hij, ‘Tuurlijk. Die boeaja’s eten alleen maar Papoea’s.”

Bladerend in een van de boeken uit de nalatenschap van mijn vader kwam ik niet lang geleden deze anekdote weer tegen.