Eenvoudiger kan niet

Kunstenaar Rinus van den Bosch is bij leven niet echt door de musea opgepikt.

Nu, tien jaar na zijn dood, hangt zijn werk in Boijmans van Beuningen. Terecht.

De anekdote is zo geweldig dat ze wel een beetje aangedikt moet zijn. In de zomer van 1971 was de jonge Haagse schilder Rinus van den Bosch uitgenodigd om zijn kunstwerken te exposeren in de tuin van kasteel Drakesteyn. De happening was georganiseerd door prinses Beatrix en prins Claus. Van den Bosch was zo dronken geworden dat hij „Ha die Trix” had geroepen en de prinses op haar billen had geslagen. „Ondanks zijn vergaande staat van dronkenschap droegen enige lakeien hem naar zijn auto en lieten hem naar Den Haag rijden”, herinnert zijn vriend A.L. Snijders zich in het pas verschenen boek Rinus. „Zijn auto was onbeschrijfelijk beschadigd toen hij thuiskwam.”

Rinus van den Bosch (1938-1996) moet een flamboyant mens geweest zijn, zo blijkt ook uit de biografie die Willem Ottenspeer over hem schreef. Een jongetje uit de Schilderswijk dat zichzelf bekakt Nederlands aanleerde maar Den Haag bijna nooit verliet. Een schilder die bijzonder getalenteerd was, maar ook een beetje werkschuw, waardoor de grote doorbraak uitbleef. „Als ik iets bereikt heb”, zo zei hij in 1986 tegen Het Parool, „heb ik er nooit iets voor gedaan.”

Behalve met twee boeken wordt Van den Bosch ook met een tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen geëerd. Daar zijn nu meer dan honderd werken van hem te zien; tientallen tekeningen, een dozijn schilderijen en enkele objecten. Vooral die schilderijen, de meeste fors van formaat, blinken uit in eenvoud. Ze bestaan uit niet meer dan een silhouet, van een tafel met een hoed erop bijvoorbeeld, of van koningin Juliana. Slechts twee kleuren gebruikte hij voor deze schaduwcomposities – donkergrijs tegen lichtgrijs.

Spiegeling, uit 1968, bestaat uit niet meer dan een donkergroene, bobbelige horizontale lijn die het vaalroze doek iets onder het midden in tweeën deelt. Het schilderij is plat als een dubbeltje, maar wanneer je er langer naar kijkt, zie je opeens een spiegelende rij bomen langs de oever van een meertje opdoemen. Zelf omschreef Van den Bosch zijn stijl als ‘fundamenteel realisme’. Eenvoudiger en effectiever kan haast niet.

Eind jaren zeventig begon Van den Bosch aan een serie monochrome schilderijen in een kleur die hij zelf als ultramarijn-violet omschreef. De verf werd door Van den Bosch op de bovenste helft verticaal aangebracht en op de onderste helft horizontaal, waardoor je bij andere lichtval ineens een horizon ziet. In Boijmans hangt een exemplaar uit 1978 met de fraaie titel Als de nacht wacht is het dag.

Op een enkele groepsexpositie in het Stedelijk Museum Amsterdam na werd Van den Bosch nooit door het museale circuit opgepikt. Het tragische is dat hij zich van die beperkte status ook bewust was. „Ik ben geen kunstenaar van de eerste garnituur, ook niet van de tweede en m’n werk is gezien de resultaten niet museaal”, schreef hij in 1992, vier jaar voor hij aan een hartaanval overleed. Daarmee deed hij zichzelf ernstig tekort, blijkt nu. Want ruim tien jaar na zijn dood wordt duidelijk dat Rinus van den Bosch wel degelijk een stel schilderijen heeft gemaakt dat het in zich heeft klassiekers te worden.

Tentoonstelling:

Rinus van den Bosch

T/m 29 nov Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Inl: www.boijmans.nl en www.rinusvandenbosch.nl.