Een stamhoofd hou je te vriend

Mijn eerste patiënt, een gespierde indiaan in peniskoker, tikt ongeduldig op mijn arm. „Ibuprofen, amoxicilline.” Hij houdt zijn hand op. Ik vraag naar zijn klachten maar hij schudt zijn hoofd: „Ibuprofen, amoxicilline.” Patachuma, mijn indiaanse verpleegkundige, schiet in de lach: „Hij spreekt geen Spaans, alleen Emberra. Ik vertaal wel voor je. Maar ga met deze man niet in discussie, Doctora.” Hij overhandigt de peniskoker twee medicijnstrips. „Hij is stamhoofd, dus we moeten hem te vriend houden.”

Buiten klinkt nu gejoel en ik zie nog net hoe een indianenvrouw een fikse sliding maakt. Terwijl kindjes elkaar nat spetteren in de rivier, houdt een groep vrouwen, beschilderd en met kettingen behangen, een voetbaltoernooi op de open plek tussen de hutjes. Opeens moet ik denken aan de ‘onontdekte’ indianengemeenschap in Brazilië, die ooit op de voorpagina van NRC Handelsblad stond, hun pijlen gericht op overvliegende vliegtuigen. Waar zijn we hier eigenlijk mee bezig? Deze indianen spreken niet eens Spaans, maar de woorden ‘ibuprofen’ en ‘amoxicilline’ zijn, dankzij Dokters van de Wereld, alom bekend. Wat heeft het voor zin om deze gemeenschap, die in al duizenden jaren zo leeft, ongevraagd te medicaliseren?

Mijn volgende patiënte is „ongeveer 18”, vertaalt Patachuma, en heeft vier kinderen. Ze zien bleek en mager. „Lusteloos en diarree”, zegt moeder. Ik vul hun gewicht in, de curve is een horizontale lijn. „Wat krijgen ze te eten?” „Patachuma (gekookte banaan). Daar worden ze sterk van”, zegt moeder. „Zeker”, beaam ik. „Wat nog meer?” Moeder zwijgt. „Er is hier niets anders”, licht Patachuma toe. „De jungle wordt geregeerd door gewapende groepen. Na drie gedwongen verplaatsingen heeft deze gemeenschap nog twee koeien, zes kippen en één limoenboom. .”

Het dorpshoofd is terug om het register met me door te nemen. „Hoeveel overledenen sinds onze laatste brigade?” vraag ik. „Eén”, vertaalt Patachuma. „Een meisje van elf.” „Waaraan overleden?” Het dorpshoofd zwijgt. „Zelfmoord”, fluistert Patachuma. „Wat? Maar hoe…” „Opgehangen”, zegt Patachuma. „Een meisje van elf?” roep ik verbijsterd. „Maar…” Het dorpshoofd kijkt ongemakkelijk om zich heen. „We hebben het er nog wel over, Doctora”, zegt Patachuma snel. „Laten we doorgaan met het register.”

Na uren wakker liggen, voetbal ik die nacht met indianenvrouwen. Terwijl kindjes met bolle buikjes geluidloos juichen aan de kant, zigzag ik richting doel. Tot ik haar plotseling aan de bovenlat zie bungelen; de armen levenloos langs haar lichaam, de ogen open gesperd. „Patachuma!” Zwetend schiet ik overeind. . „Si, Doctora!” Hij klikt zijn zaklamp aan. „Hoe vaak komt zelfmoord hier voor?” fluister ik. „Vaak”, zucht hij. „Ga nu maar slapen.” „Hoe vaak?” „Het laatste jaar een keer of tien in deze regio. Steeds bij meisjes van die leeftijd.” „Maar waarom?” Hij haalt zijn schouders op. „Omdat ze een slechte man hebben? Geen kinderen kunnen krijgen? Bang zijn voor de oorlog? Emberra’s praten niet over dit soort dingen.”

Vanmiddag wilde ik deze ‘idyllische’ gemeenschap nog onze bemoeienis besparen. Vijf uur later is mijn hoofd te klein voor alle plannen: we moeten naast ons medische project een voedselproject starten, over mensenrechtenschendingen rapporteren, psychologische hulp geven… „Er is ooit wel onderzoek naar gedaan”, zegt Patachuma. „Door een hulporganisatie, Unisof ofzo… Twee dikke dames waren dat, psychologen die de Emberra’s wilden interviewen. Hij schiet in de lach: „Ik zie die twee gorditas blancos (witte dikkertjes) nóg boten duwen en zwetend door de jungle sjokken! Na één brigade zijn ze teruggevlucht naar Europa. En maar beter ook: Wat begrijpt een westerling nou van het hoofd van een indiaan?”