Crisis en socialisten

In Griekenland zijn de socialisten weer aan de macht. Giorgos Papandreou van de Panhelleense Socialistische Beweging (PASOK) is gisteren beëdigd als opvolger van Kostas Karamanlis van de conservatieve Nea Demokratia (ND).

Betekent dit dat de socialisten de tijdgeest van kredietcrisis en recessie beter vertolken dan de anderen? In Noorwegen heeft de Arbeiderspartij haar machtspositie bij verkiezingen twee weken eerder immers ook bestendigd? Nee.

In Noorwegen vervullen de sociaal-democraten reeds een halve eeuw een spilfunctie, zoals christen-democraten in Duitsland en Nederland. Bovendien opereren ze in een land dat dankzij de aardgas en olie ongekend welvarend is.

En in Griekenland wordt de politiek nu al vijftig jaar gedomineerd door twee families. De vertrokken man is een neef van de conservatieve aartsvader Konstantinos Karamanlis, die in de jaren vijftig/zestig/zeventig premier was. De nieuwe regeringsleider wordt de derde Papandreou-premier. In de jaren zestig was zijn grootvader dat. In de jaren tachtig/negentig vervulde zijn vader Andreas die functie. De twee dynastieën en hun partijen beschouwen zich zodoende als antipoden. Dat de PASOK nu de meerderheid heeft, zegt meer over de weerzin van de kiezers jegens het economische en soms corrupte beleid van ND dan over de verwachting dat alleen socialisten het land uit het moeras kunnen trekken.

Sociaal-democraten kunnen de uitslagen in Griekenland en Noorwegen dus maar beter niet gebruiken als eventueel bewijs dat ze een beter antwoord op de economische crisis hebben dan de rest. De uitslag van de verkiezingen tien dagen geleden in Duitsland is een betere indicatie. Met amper een kwart van de stemmen is de SPD nu kleiner dan in de kansloze jaren vijftig, toen kanselier Adenauer (CDU) leiding gaf aan het Wirtschaftswunder.

De oudste en grootste socialistische partij ter wereld lijkt daarmee af te zakken naar het niveau van de Parti Socialiste (PS) in Frankrijk, waar de verschillende stromingen binnen de partij elkaar na de desastreuze verkiezingen van afgelopen jaren op suïcidale wijze bevechten en het alternatief nu wordt gevormd door een posttrotskistische formatie. Ook in Duitsland zit de postcommunistische partij Die Linke sinds vorige week structureel in het vaarwater van de SPD. En de PvdA in Nederland moet er eveneens rekening mee houden dat ze kleiner wordt dan wat ooit ‘klein links’ heette.

De toestand van de sociaal-democratie is dus inderdaad „deplorabel”, zoals fractiesecretaris Samsom van de PvdA de staat van zijn partij in een intern memo omschreef. Dat ligt aan het onvermogen van deze partijen om de burgers te bereiken. Maar dat is niet de enige oorzaak. Het tegenvallende resultaat dat de christen-democratische CDU/CSU in Duitsland boekte, geeft aan dat ook deze op regeren gespitste brede volkspartij zich maar met moeite staande kan houden.

Her en der wenden kiezers, die economisch toch onzeker zijn, zich in crisistijd af van het midden. Economische en politieke onzekerheid gaan kennelijk hand in hand.