Bankiers gokten met woonhuizen als fiches

Theater The Power of Yes. Van David Hare, door het National Theatre. Regie: Angus Jackson Gezien: 6 okt, Londen. T/m 10 jan. Inl. nationaltheatre.org.uk ***

„Angst en hebzucht drijven het kapitalisme. Kapitalisme werkt zolang angst en hebzucht in balans zijn. Nu zijn ze uit balans. Te veel hebzucht, te weinig angst”, zegt een bestuursvoorzitter van een hypotheekbank in The Power of Yes, het nieuwe toneelstuk van David Hare, dat gisteren in première ging in Londen.

In The Power of Yes legt Hare precies uit hoe de crisis over ons is gekomen. Voor geen financiële vakterm schrikt hij terug in zijn documentaire leerstuk. Als het moet, haalt hij er zelfs een schoolbord bij. „Mijn hersentjes doen pijn”, zegt een jongedame in het publiek, direct na het korte applaus. „Eindelijk begrijp ik het”, zegt een heer naast haar.

The Power of Yes begint met een geestige proloog waarin David Hare opmerkingen opsomt die mensen uit de financiële wereld maakten over zijn voornemen om een toneelstuk over de kredietcrisis te schrijven. Het onderwerp is te moeilijk en te abstract, stellen ze. „Als je maar niet gaat schrijven dat bankiers shit zijn”, zegt een bankier, „want dat vindt het publiek al, dus dat zou saai zijn.”

Anderen geven hem alvast wat kandidaten voor de schurkenrol. Een bankier hoont: „Als je stuk in première gaat, is die crisis allang voorbij.”

Hare heeft niet veel werk gemaakt van het dramatiseren van zijn onderwerp. Hij laat geen historische gebeurtenissen naspelen, zoals hij dat in eerdere stukken wel deed. Dit keer laat hij simpelweg zijn eigen maanden van research naspelen. Dus staat er een ‘Schrijver’ op het podium die vijfentwintig direct betrokkenen interviewt over de crisis. Acteur Anthony Calf speelt de ‘Schrijver’, met net zo’n bruin, ribfluweel schrijversjasje als Hare heeft, en met net zo’n intellectuele scheiding, hoewel de echte Hare hem de andere kant op draagt.

Het Britse National Theatre zag in David Hare de aangewezen toneelschrijver om een stuk over de kredietcrisis te schrijven. Eerder schreef hij met groot succes heldere, indringende documentaire stukken over de politieke aanloop naar de Amerikaanse inval in Irak (Stuff Happens), over de privatisering van de Britse spoorwegen (The Permanent Way), en over het Israëlisch-Palestijnse conflict (Gethsemane). Hare is bovendien een man die niet alleen fijnproevers aanspreekt, maar ook een groot publiek, gezien zijn films Strapless, The Hours en The Reader.

Omdat een woud van blanke mannen in donkere pakken op een praktisch leeg toneel er niet zo aantrekkelijk uitziet, heeft hij een 23-jarig meisje zijn toneelstuk ingeschreven. Deze Kroatische Masa (zeg: Masja) draagt een strak zwart kokerrokje, kersenrode pumps en een mouwloos bloesje. De grap is dat dit jonge ding met gemak hele moeilijk dingen uitlegt aan een vijftigjarige intellectueel die van niets weet. Zo kan de toeschouwer zich met de schrijver identificeren, en dient Masa als gids door bankiersland.

Met sterke vergelijkingen toont Hare dat de financiële zeepbel die voorafging aan de instorting dreef op een heilig geloof in gokken zonder risico. In het uitbannen van risico door ingewikkelde spreidingsconstructies. Het was een casino met woonhuizen als fiches. De bankiers hadden „een gargantueske honger naar risico”. De bankiers zaten in een dansmarathon, „zolang de muziek speelde moest je blijven dansen, ook al gleed de danstent van de pier af”.

Over de Britse premier Gordon Brown, toenmalig minister van financiën, zegt een bankier: „Zoals de Romeinse veroveraars altijd iemand naast zich hadden die ‘sic transit gloria’ in hun oor fluisterde, zo had Gordon iemand moeten hebben die: ‘reguleren!’ in zijn oor had gefluisterd.”

Hoewel de ‘Schrijver’ op het eind uit zijn slof schiet als blijkt dat bankiers geen spoor van schuldgevoel hebben, maakt Hare van zijn toneelstuk geen antibankierspamflet. Hij laat ook zien dat Groot-Brittannië zijn jaren van voorspoed te danken had aan The City, het financiële hart van Londen. Niet alleen bankiers dachten dat met een ongekend lange hausse van zeventien jaar de klassieke kapitalistische cyclus van voorspoed en crisis was doorbroken. Ook gelooft Hare niet dat het een complot was van banken die de arme hypotheeknemers voor de gek hielden: „Dit is een verhaal van bankiers die zichzelf voor de gek houden.”

Een interessante lijn die Hare door het stuk weeft, gaat over het gebrek aan historisch besef bij de huidige generatie bankiers. Hij laat oudere bankiers aan het woord en financiële experts die ooit hun geboorteland ontvluchtten, die weten dat een leven zonder plotse catastrofes niet bestaat. Voorspoed is nooit voor eeuwig, houden zij de anderen voor.

Als toegankelijk hoorcollege is The Power of Yes zeer geslaagd. Maar Hares aanpak heeft ook een groot nadeel. Zesentwintig personages is teveel. Het blijven onpersoonlijke stemmen die met zijn allen hetzelfde verhaal vertellen. Er is geen conflict tussen de spelers. Hare heeft de crisis niet tot een menselijk drama gemaakt. De intrige is nu: een leek probeert een moeilijke verhaal te snappen. Enkele malen stelt de ‘Schrijver’ dat in het vijfde bedrijf het toneel bezaait moet liggen met lijken, net als bij Shakespeare. Volgens een bankier ligt het toneel uiteindelijk vol met gevallen banken.

De ‘Schrijver’ noemt nog een ander slachtoffer: de idee dat markten altijd wijs en goed zijn . Dat zijn echter abstracte slachtoffers; geen mensen met wie je kunt meevoelen. Eén foto in de krant van tentenkampen bij Amerikaanse steden waarin onteigende huizenbezitters wonen, zegt meer over de crisis dan Hares twee uur college over blind gokkende bankiers.