Australië geeft het goede voorbeeld met renteverhoging

Australië wordt soms ‘het gelukkige land’ genoemd. Toch heeft het succes van Australië op fiscaal en monetair gebied méér te maken met bekwaamheid dan met geluk. Als andere landen in goede tijden het voorbeeld van Australië hadden gevolgd, zou de financiële crisis minder hard zijn aangekomen. Maar het is nog niet te laat om dat alsnog te doen.

De Reserve Bank of Australia, de Australische centrale bank, heeft de basisrente gisteren met 0,25 procentpunt verhoogd naar 3,25 procent. Het was de eerste centrale bank van een G20-land die de rente heeft verhoogd sinds het uitbreken van de crisis, maar de Australische rente was altijd al betrekkelijk hoog. De basisrente bleef na 2003 steeds boven de 5 procent en piekte in 2008 op 7,25 procent.

Australië heeft ook een conservatief begrotingsbeleid gevoerd en vrijwel zijn hele staatsschuld afbetaald. Daardoor was er meer ruimte voor fiscale en monetaire stimulansen toen de crisis eenmaal toesloeg. Technisch heeft Australië een recessie weten te vermijden; de economie is in de eerste twee kwartalen van 2009 gegroeid.

Daarnaast heeft de Australische economie geprofiteerd van de mondiale stijging van de grondstoffenprijzen. Het was dus niet al te moeilijk om te bezuinigen.

Andere landen beschikken niet over dezelfde voordelen als Australië. Maar de huidige modieuze beleidscombinatie van zware fiscale stimulansen, buitengewone liquiditeitsmaatregelen en een negatieve reële rente hebben tot scherpe stijgingen geleid van de mondiale grondstoffenprijzen en de obligatie- en aandelenkoersen. Zulk beleid kan uiteindelijk een hoge inflatie tot gevolg hebben.

Maar de ‘exit-strategieën’ zouden niet moeten beginnen met een snelle afname van de liquiditeit. De twee ergste recessies in de Amerikaanse geschiedenis, die van 1837 tot 1843 en van 1929 tot 1941, werden allebei veroorzaakt door liquiditeitstekorten die tot een aanhoudende deflatie leidden.

Als de centrale banken de liquiditeit nu zouden terugdringen, zonder de rente te verhogen, zouden ze soortgelijke problemen riskeren. De schaarse kredietmiddelen die dan nog zouden overblijven, zouden alleen naar zeepbellen en tekorten toevloeien en niet naar productieve leningen.

Maar substantiële verhogingen van de basisrente – zonder de liquiditeit terug te dringen – dragen dat gevaar niet in zich. Zij zouden de opwaartse druk op de koersen van obligaties en aandelen verminderen. De zwakkere obligatiemarkten zouden de overheden dwingen de begrotingstekorten aan te pakken.

Als de begrotingstekorten eenmaal zouden dalen en de zeepbellen zouden leeglopen, zou de liquiditeit langzaam kunnen worden verminderd, zonder het particuliere deel van de economie van de noodzakelijke financieringsbronnen te beroven. Dan zou de rest van de wereld iets meer op Australië gaan lijken.

Martin Hutchinson