Arbeid s(p)lijt

‘Met het verstrijken der jaren zullen voor elk mens de krachten afnemen”, zei de Duitse staatsman Otto von Bismarck in 1889. Hij stelde daarom een verzekering in die de ouden van dagen een pensioen gaf als aanvulling op hun loon. Dat was vriendelijk van Bismarck. Alhoewel, zo’n weldoener was de man nu ook weer niet. Hij stelde namelijk een leeftijdsgrens in van zeventig jaar, terwijl de meeste arbeiders de zestig niet eens haalden. Met andere woorden: het pensioen van Bismarck was het pensioen ‘voor een dooie’, zoals zijn tegenstanders schamperden.

Omdat weinig arbeiders aanspraak konden maken op de nieuwe regeling, had de wet van Bismarck vooral psychologische invloed – ook op Nederland. Premier Abraham Kuyper wilde in 1905 graag eenzelfde verzekering invoeren. Maar er kwam hevige tegenstand in het maatschappelijk middenveld. Zo lag de gemiddelde levensverwachting van fabrieksarbeiders veel lager dan die van landarbeiders, en hadden kantoorklerken het gemakkelijker dan ambtenaren in „het onderdrukkende, afmattende, sloopende, uitputtende, doodende klimaat der Tropen”. Moesten al deze mensen op dezelfde hoge leeftijd pensioen krijgen? Het sociaal-democratische Tweede Kamerlid K. ter Laan pleitte voor een flexibele pensioensregeling vanaf zestig jaar: „Wie zich krachtig gevoelt blijft aan, maar wie gevoelt dat met het klimmen zijner jaren zijn leden en geest strammer worden, vindt hier gelegenheid om op behoorlijken wijze ontslag te vragen met volledig pensioen.”

Zijn pleidooi mocht niet baten. In 1914 nam het parlement uiteindelijk de Invaliditeits- en Ouderdomswet aan. Loonarbeiders moesten verplicht premie betalen, die vanaf hun zeventigste in een pensioen(tje) werd omgezet. In 1919 werd de pensioenleeftijd verlaagd naar vijfenzestig jaar. Dat was ook de leeftijdsgrens die Willem Drees in 1947 hanteerde bij het opstellen van zijn beroemde Noodwet Ouderdomsvoorziening, de voorloper van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Die betekende een heus staatspensioen ‘voor iedereen, door iedereen’.

Inmiddels is de AOW als verworven recht niet meer weg te denken. Maar de leeftijdsgrens staat weer volop ter discussie. En opnieuw is het verschil tussen zware en minder zware beroepen een splijtzwam. Krijgen we een flexibele AOW-regeling à la Ter Laan, of gaan we weer de richting op van Bismarck en Kuyper?

Jaap Cohen