Zangpret maakt veel goed in musical Jan Rot

Jan Rot als palingvisser Zoer in de Volendamse musicalvariant die hij maakte van Bizets opera ‘De Parelvissers’ Foto Roy Beusker Foto: Roy Beusker Beusker, Roy

Musical De Palingvissers, door Jan Rot e.a. Gezien: 5/10 in De Purmaryn, Purmerend. Tournee t/m 18/1. Inl. www.depalingvissers.nl***

Volendam was vaak in het nieuws dit jaar – als het niet over de verbroken liefde van dorpsheld Jan Smit en zijn Yolanthe Cabau van Kasbergen ging, ging het over het hoge aantal PVV-stemmers bij de Europese verkiezingen. Maar niets van dat alles klinkt door in De Palingvissers, de musical die Jan Rot schreef rondom 21 opera-aria’s uit het ijzeren repertoire van de klassieke Arbeidsvitaminen. Nou ja, één grapje over Jan en Yolanthe, maar daar blijft het bij.

Hier gaat het over twee gezworen vrienden, van wie de één de vrouw van de ander aanbidt, terwijl die ander liever uitziet naar iets jongers. En vooral ook over het plezier dat een meestervertaler kan hebben als hij van al die aria’s Nederlandstalige liedjes wil maken.

Zo doet Rossini’s fameuze herkenningsmelodie voor de Barbier van Sevilla nu dienst als zelfportret van de eerste visser: „Hebben ze maling / aan de betaling / gaat deze paling terug aan het hakie...” De zoon van de andere visser bezingt zijn onervarenheid in de liefde op Voi si chapete uit de Figaro van Mozart: „Stromen hormonen wonen mij uit / wondere dromen, wie legt ze uit?” Verdi’s opzwepende La donna è mobile is de minstens zo gespierde machoklacht Dames die doen maar wat geworden. Mozarts guitige Vogelhändler dient zich hier aan als een flierefluiter wiens fluit naar het dubbelzinnige neigt. En natuurlijk barsten beide vissers ook uit in Bizets meeslepende duet uit De Parelvissers: „Wie verkies je, sprookjesprinsesje / wie biedt jij je liefdesnestje?” Aan vindingrijkheid en esprit geen gebrek; soms klinkt het zelfs alsof het altijd al zo heeft geklonken.

Een enigszins samenhangend script heeft Rot echter niet geschreven. Af en toe komt er een amusant los zinnetje voorbij, maar de intrige blijft schamel. De weinige dialogen praten al te opzichtig naar het volgende lied toe zonder zich veel om een plotje te bekommeren. De nummers moeten het werk doen, de rest hangt er een beetje bij. Daar kan ook Eddy Habbema’s regie niet veel aan doen.

In hun rode boezeroenen en zwarte broeken, en op hun gele klompen, maken de mannen (Bill van Dijk, Hans Zilver en Jan Rot zelf) meer indruk dan de vrouwen (Astrid Nijgh en Marjolein Meijers) voor wie menige melodie in vocaal opzicht te veeleisend is. Hoewel enkele hoge noten er ook bij de mannen niet vlekkeloos uitkomen, maken hun flair en hun zichtbare zangerspret veel goed. Daarbij speelt het strijkje van Jakob Klaasse (piano, klarinet, viool, contrabas en schippersklavier) elegant en aanstekelijk.

Zo had het misschien moeten zijn: geen musical, maar een innemend muziekavondje tussen de schuifdeuren, op verrassend nieuwe teksten. Een musical, hoe kleinschalig ook, vergt meer dan dat.