Van den Bosch verkoos eenvoud

Tentoonstelling: Rinus van den Bosch. T/m 29 nov Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Inl: www.boijmans.nl en www.rinusvandenbosch.nl. Cat. ‘Rinus’ €24,50. Ook verschenen: Willem Ottenspeer, ‘Flarden van een stem: Rinus van den Bosch (1938-1996)’. €16,50.***

De anekdote is zo geweldig dat ze wel een beetje aangedikt moet zijn. In de zomer van 1971, zo gaat het verhaal, was de jonge Haagse schilder Rinus van den Bosch uitgenodigd om zijn kunstwerken te exposeren in de tuin van kasteel Drakesteyn. De happening was georganiseerd door prinses Beatrix en prins Claus, die de deuren van hun paleis in die tijd wel vaker openzetten voor kunstenaars. Van den Bosch was zo dronken geworden dat hij „Ha die Trix” had geroepen en de prinses op haar billen had geslagen. „Ondanks zijn vergaande staat van dronkenschap droegen enige lakeien hem naar zijn auto en lieten hem naar Den Haag rijden”, herinnert zijn vriend A.L. Snijders zich in het pas verschenen boek Rinus. „Zijn auto was onbeschrijfelijk beschadigd toen hij thuiskwam.”

Rinus van den Bosch (1938-1996) moet een flamboyant en kleurrijk mens geweest zijn, zo blijkt ook uit de biografie die Willem Ottenspeer over hem schreef. Een jongetje uit de Schilderswijk dat zichzelf bekakt Nederlands aanleerde en zich tot bohémien ontwikkelde, maar Den Haag bijna nooit verliet. Een romanticus die altijd dichtte over grote liefdes en mooie vrouwen, maar wel pas op zijn 36ste het ouderlijk huis verliet. Een schilder die weliswaar bijzonder getalenteerd was, maar ook een beetje werkschuw, waardoor de grote doorbraak uitbleef. „Als ik iets bereikt heb”, zo zei Van den Bosch in 1986 in een interview in Het Parool, „heb ik er nooit iets voor gedaan.”

Behalve met twee boeken wordt Van den Bosch ook met een tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen geëerd. Daar zijn nu meer dan honderd werken van zijn hand te zien, waaronder tientallen tekeningen, een dozijn schilderijen en enkele objecten. Vooral die schilderijen, de meeste fors van formaat, blinken uit in eenvoud. Ze bestaan uit niet meer dan een silhouet, van een tafel met een hoed erop bijvoorbeeld, of van koningin Juliana. Slechts twee kleuren gebruikte hij voor deze schaduwcomposities – donkergrijs tegen lichtgrijs – en dat blijkt meer dan genoeg om een sterk en herkenbaar beeld neer te zetten.

Spiegeling, uit 1968, bestaat uit niet meer dan een donkergroene, bobbelige horizontale lijn die het vaalroze doek iets onder het midden in tweeën deelt. Het schilderij is zo plat als een dubbeltje, maar wanneer je er langer naar kijkt, zie je opeens een spiegelende rij bomen langs de oever van een meertje opdoemen. Zelf omschreef Van den Bosch zijn stijl als ‘fundamenteel realisme’. Eenvoudiger en effectiever kan haast niet.

Eind jaren zeventig begon Van den Bosch aan een serie monochrome schilderijen in een kleur die hij zelf als ultramarijn-violet omschreef. De verf werd door Van den Bosch op de bovenste helft verticaal aangebracht en op de onderste helft horizontaal, waardoor je bij veranderende lichtval een horizon ziet. In Boijmans hangt een exemplaar uit 1978 met de fraaie titel Als de nacht wacht is het dag. Het is een doek dat met zijn onmetelijke diepte van een Rothko-achtige schoonheid is.

De commissieleden van de BKR, de inkomensregeling voor beeldend kunstenaars waarvan Van den Bosch voor een groot deel financieel afhankelijk was, waren destijds minder over de serie te spreken en noemde de werken ‘leeg en inhoudsloos’. Van den Bosch had de BKR jaren achtereen bestookt met dezelfde ultramarijnen horizonnen, waarvan alleen de formaten wel eens verschilden. Niet om te provoceren, maar omdat iets anders er eenvoudigweg niet in zat. „Ik kan niet iets maken dat beter is”, zei hij daarover in een interview. „Het is oprecht, of ik ben stapelgek.”

Op een enkele groepsexpositie in het Stedelijk Museum Amsterdam na werd Van den Bosch nooit door het museale circuit opgepikt. Het tragische is dat hij zich van die beperkte status ook bewust was. „Ik ben geen kunstenaar van het eerste garnituur, ook niet van het tweede en m’n werk is gezien de resultaten niet museaal”, schreef hij in 1992, vier jaar voordat een hartaanval hem fataal werd. Daarmee deed hij zichzelf ernstig tekort, blijkt nu in Rotterdam. Want ruim tien jaar na zijn dood wordt duidelijk dat Rinus van den Bosch wel degelijk een stel schilderijen heeft gemaakt dat het in zich heeft klassiekers te worden.