Tweede Pinksterdag in Zeeland 5: slot

Dit is het laatste deel van een voorpublicatie uit een roman over een opgroeiend meisje in een strenggelovig milieu in Zeeland.

Katelijne ligt in bed en overdenkt haar zonden. De Heere kijkt haar aan. „Doe haar weg van voor Mijn aangezicht,” zegt Hij. Illustratie Lobke van Aar Aar, Lobke van

Wat vooraf ging: Boerendochter Katelijne wilde op Tweede Pinksterdag met vriendinnen naar het strand, maar moet mee met haar familie om een maisveld te inspecteren. Ze verveelt zich en is brutaal tegen haar moeder, waarbij ze in een opwelling en tot haar eigen schrik de naam van God gebruikt. Ze vraagt zich af of dat vergeven kan worden.

’s Avonds in bed luistert Katelijne naar de geluiden van buiten die door de hor de kamer in komen. De oma komt informeren of ze er nog wel aan denken dat haar tomaten gediefd moeten worden.

„Aan Sam van Ko kan ik het niet vragen”, zegt ze klagerig. Die ziet niet wat hij doet, en Wannes kan nooit op dinsdag - en trouwens aan Wannes heeft ze op ’t ogenblik ook even geen gebrek. Dan zit ze er weer een hele ochtend mee. De vader belooft er van de week nog naar te kijken.

Hij vraagt aan Jeroen of hij de melkmachine al heeft klaargezet voor morgenochtend en stuurt hem dan naar bed. Jeroen neemt met veel lawaai een douche, tot Christiaan op de deur bonkt en zegt dat hij ook nog warm water wil. Rogier wil van de vader weten wanneer ze de tweede snee zouden kunnen gaan maaien. Lourens hoest een keer in zijn slaap en een van de tweeling ligt met zijn hoofd ritmisch tegen de bedrand te bonken.

De moeder maakt boter met de keukenmachine. Ze zet hem telkens aan en uit om te kijken of het al goed is. „Levend vers” zal de vader morgen zeggen, maar na één nacht over zit er toch al een reukje aan. Een koe loeit veelvuldig en langgerekt. Waarschijnlijk omdat ze haar kalf kwijt is.

Katelijne luistert alsof haar leven ervan afhangt, bang voor gedachten, die desondanks toch wel komen. Was er maar iemand om haar te helpen. Assepoester kon op de duiven rekenen en Mozes werd uit het water gered door een prinses.

Ze reikt naar haar boekenplank en trekt er een meisjesboek vanaf, maar ze durft het licht niet aan te doen, omdat de vader het schijnsel vanaf buiten zal kunnen zien.

„Arjaon, ben je nog lang bezig buiten?”

„Nee hoor, ik zit aan mijn taks voor vandaag. Nog even langs de koeien en dan ga ik mijn gemak houden.”

Voor hen kan het nog.

Katelijne staat voor Gods rechterstoel. Eén voor één worden de dia’s van haar leven getoond en het hele dorp kijkt mee. Ze staat bij de vrieskist van de oma, die zelf aan het rusten is. Ze probeert hem geluidloos te openen om er een ijsje uit te pakken.

Op de volgende dia staat ze daar weer. Nu haalt ze er een ingevroren bolus uit.

Dan komt de dia van vandaag. Ze staat bij het geopende portier van de auto en ze kijkt brutaal naar de moeder. „Ooo,” zeggen de mensen. Ze slaan hun hand voor hun mond. De Heere kijkt haar aan. „Doe haar weg van voor Mijn aangezicht,” zegt Hij. „Breng haar naar de buitenste duisternis, waar wening zal zijn en knersing der tanden.”

De moeder komt de trap op. Katelijne stopt snel het boek onder haar kussen en hoest een paar keer luid om te laten weten dat ze nog niet slaapt. Ze wil dat de moeder haar kamer binnenkomt. De deurkruk gaat naar beneden.

„Ga toch eens slapen, Katelijne.” Haar stem klinkt gelukkig niet meer boos, maar ze is het nog niet vergeten. Anders zou ze „Katel” hebben gezegd.

„Ik kan niet slapen.” Op haar hand druppen tranen, maar de moeder heeft niets in de gaten.

De deur is alweer dicht. Waarom is ze er alweer vandoor? Katelijne stroopt het laken van zich af en gaat voor de zoveelste keer op haar knieën zitten, met haar hoofd op haar borst.

„O Heere, ik heb U niet opnieuw willen kruisigen,” bidt ze. „O alstublieft Heere, vergeef mij al mijn zonden.” Zingen is twee keer bidden. Wie zei dat ook alweer? „Vergeef mij al mijn zonden,” zingt ze in haar hoofd.

Het is de eerste regel van psalm 6 vers 2 en ze zingt de rest erachteraan. „Die Uwe hoogheid schonden. Ik ben verzwakt o Heer’. Genees mij, red mijn leven. Gij ziet mijn beend’ren beven – hier beweegt ze haar schouders een paar keer schokkerig op en neer - Zo slaat Uw hand mij neer.”

Nee, dat laatste is niet waar, al staat dat wel in de psalm.

Het is in deze situatie niet van toepassing, Hij moet niet denken dat ze Hem de schuld geeft.

Ze zingt het laatste stukje opnieuw, maar nu zonder de laatste regel. „Gij ziet mijn beend’ren beven. Amen.”

Ze gaat weer liggen.

Buiten zwijgen een voor een de merels. Als de laatste zwijgt, is het vreemd stil, alsof de lucht hun melodietjes, hun gefladder en hun trillers nog niet is vergeten.

Katelijne voelt zich slaperig worden.

„Had jij nog gezien of het zonnetje mooi onderging, Rina?” vraagt de vader vanaf het grindpad.

„’k Geloof het wel, hoor,” antwoordt de moeder. „Ze hebben voor morgen sowieso goed weer afgegeven.”