'Tot de grens en iets erover'

Bell Berghuis kan zich bij de wereldbekerwedstrijden snowboardcross plaatsen voor de Olympische Spelen in Vancouver. „Het speelse is het mooist aan de sport.”

Ze laat het terloops vallen, in een bijzin. Vier jaar geleden brak Bell Berghuis haar ruggewervel, toen ze voor een snowboardfilm een trucje deed, een Frontside 3, en op haar nek terechtkwam. Ze wil er niet te veel nadruk op leggen. Ze ziet het niet als promotie van het snowboarden. Dat geldt ook voor de rest van haar medisch dossier: haar hersenschuddingen, haar meniscusoperaties, haar kruisbandletsels, haar gebroken arm, pols en hiel. Of de knieblessures en botbreuken van haar tweelingzus Britt.

Snowboardcross is niet bedoeld voor mensen met welke vrees dan ook. „Wij kennen geen angst”, zegt Bell Berghuis (24). Het is hun kracht, maar soms ook hun zwakte. Maar, zegt ze: „Vallen hoort bij progressie.”

Verrassend genoeg was ze een jaar geleden de eerste Nederlandse sporter die officieel uitzicht kreeg op de Winterspelen in Vancouver. Misschien was het wel typerend dat ze vier dagen voordat ze in de Argentijnse bergen haar ‘halve nominatie’ reed, bewusteloos in de sneeuw lag nadat ze bij een sprong op haar hoofd terecht was gekomen. „Ik was twee minuten weg. Ik heb vier dagen in mijn hotelkamer doorgebracht met een hersenschudding. Ik ging wel naar de sportschool. Het was niet ideaal, maar ik wilde die wedstrijd rijden.” Ze werd verrassend elfde, daar in Chapelco, waarmee ze de eerste deur naar Vancouver opende. Recupereren deed ze thuis wel.

Bell Berghuis hinkt niet en heeft ook geen schrammen in haar gezicht op het strand van Noordwijk, waar ze met de Nederlandse ploeg is neergestreken voor een bespreking. Ze is net hersteld van de arm- en polsbreuk die ze begin dit jaar opliep bij een val op Cypress Mountain bij Vancouver – de plek waar over vier maanden de olympische snowboardwedstrijden worden gehouden. Ze hoopt erbij te zijn, maar moet dan in een wereldbekerwedstrijd nog wel een keer bij de beste twaalf eindigen.

Niet dat ze al haar hele leven droomt van de Spelen. Het kruiste haar pad terwijl ze met haar zusje haar echte droom najoeg: capriolen uithalen, in en vooral boven de sneeuw. Sinds zij school verlieten, staat elke minuut vrije tijd in het teken van het snowboarden. Niet vreemd voor twee meiden die werden geboren in Zürich, waar hun vader werkte voor GE Plastics. Dat leidde de zusjes naar Schoten bij Antwerpen, naar North Carolina in Amerika en terug naar Schoten, waar ze nog steeds wonen.

Snowboarden leerden ze op hun zestiende in Snow Valley – geen wintersportoord, maar een indoorcentrum bij Peer, onder Eindhoven. „Ik werd meteen een keer tweede. En Britt brak meteen haar sleutelbeen op twee plaatsen.”

Toch waren direct verslaafd aan de thrills van de sport. Ze besloten na hun school naar Amerika te reizen om te snowboarden, net zolang totdat ze het land moesten verlaten. „Om geld te verdienen werkten we in de ploegendienst in Antwerpen. Worst verpakken in de vleesfabriek, zes uur ’s ochtends beginnen.” Met de opbrengst trokken ze naar Breckenridge in Colorado. „Elke dag stonden we om negen uur op ons board. Elkaar nadoen, met de jongens meerijden. Proberen hoger te springen dan zij, trucs uithalen op de grote schans. Om vijf uur dropen we af.”

Zo kwamen ze terecht in de wereld van de extreme sports in het hooggebergte, de fotoshoots en de snowboardfilms. Ze lieten hun Big Air-sprongen zien op evenementen in de Alpen, Japan, Amerika en Canada. Beiden bleken talent te hebben. En vooral lef. „Als wij een parkoers zien met een grote schans erin roepen wij: yes! Sommigen denken: o, nee!” Niet voor niets noemden de jongens in België hen al Twins from Hell. Waar anderen stopten, gingen de zusjes Berghuis een stap verder.

Dat hadden ze als kinderen al. „Wij stoeiden altijd. Een beetje ADHD-kindjes. Ik heb geen angst, Britt ook niet. Al heel jong klommen we op alle muurtjes om er weer af te kunnen springen. We zijn niet echt roekeloos, maar we fokken elkaar wel op. Wedden dat je daar niet overheen komt? Je wilt altijd beter zijn dan de ander, op een speelse manier. We zaten wel vaak bij de dokter. Toen we acht waren heb ik Britts arm gebroken tijdens het stoeien. Ze kwam verkeerd terecht, ik viel boven op haar. Toen stuurde mijn moeder ons op judo, zodat we onze energie kwijt konden en konden leren vallen.” Dat was de eerste van een serie extreme sporten, van thaiboksen en bungeejumpen tot downhill-mountainbiken en schansspringen op een snowboard.

Alles doen ze samen, zelfs hun opleiding commerciële economie aan de Randstad Topsport Academie – als ze in de buurt zijn. Hun vrije leventje leidt soms tot bizarre reizen. Een paar jaar geleden lagen ze om drie uur ’s nachts wakker met een jetlag, thuis in Schoten, net terug uit Amerika. „We wisten dat er een wedstrijd was in Oostenrijk en hadden gehoord dat er veel sneeuw op komst was. We zeiden: als we nú wegrijden, kunnen we nog een halve dagpas kopen. Onze tas was nog ingepakt. Ik won de wedstrijd: een mobieltje en 400 euro. Daarmee konden we weer naar het volgende evenement. We delen al het prijzengeld.”

Twee jaar geleden stapten ze over van het Big Air-circuit naar het snowboardcross. Met de olympische perspectieven werd het ineens menens. Maar Bell Berghuis houdt vast aan het speelse karakter van haar sport. „Het mooiste van het snowboarden is de rush, de spanning. De kick dat je door de lucht vliegt. We halen snelheden tot 70 kilometer per uur. Op een gewone piste heb ik met een gps om 105 kilometer per uur gehaald. We gaan vaak freeriden in de diepe sneeuw, op bergtoppen, tussen de bomen door, van rotsen af. Dat speelse is het mooist. Tot de grens gaan, en net iets eroverheen.”

Dat is volgens haar het grote verschil met skiën. „Daar kom je al jong in selecties, en het gaat om prestaties. Je gaat snowboarden omdat je het ontiegelijk leuk vindt. We zijn nooit begonnen om wedstrijden te rijden.”

Sinds haar prestaties in de wereldbekers is voor het eerst een Nederlands team geformeerd, met coach Frank Germann. „Ons leven is geen betaalde wintersport. We doen elke dag krachttraining, we fietsen veel.” Afgelopen zomer, bijvoorbeeld, bedwong ze op één dag vijf keer Alpe d’Huez. „En het is goed dat we nu een coach hebben die zegt: het is genoeg geweest voor vandaag. Als Britt en ik samen zijn, gaan we gewoon door.”

Het zou een droom zijn, samen naar de Spelen, maar ze is nuchter. „Britt is heel goed, maar ze heeft pech gehad met twee zware knieblessures. Nu we zo ver zijn gekomen gaan we door tot de Spelen van 2014. In het boardercross telt ervaring zwaar. Wij zijn nu nog de jonkies in de wereldtop.”