Tobin-tax opent lid van doodskist

De Tobin-tax is een idee uit de jaren zeventig: een belasting op financiële transacties. De laatste tijd staat dit idee opnieuw in de belangstelling.

Kijk, zó had hij het allemaal niet bedoeld, maar voor hij het wist was de rest van de wereld er met zijn naam en zijn idee vandoor. De Amerikaanse econoom James Tobin suggereerde in 1971 een minieme belasting op valutatransacties. Het naoorlogse stelsel van vaste wisselkoersen, die via de dollar gekoppeld waren aan het goud, zakte destijds in onder zijn eigen gewicht. Met het vrij zweven van alle valuta dreigde de internationale economie te veranderen in een pot vrij worstelen. Een minieme, maar ontmoedigende, heffing op valutatransacties zou voorkomen dat kapitaalbewegingen te schoksgewijs zouden verlopen, valuta’s te wild fluctueerden en landen onnodig in problemen zouden brengen.

Tobins idee – het kwam er niet van, en het sluimerde vooral voort in academische kring. Maar een kwart eeuw later dook het op in de antiglobaliseringsbeweging. Nu als onderdeel van een plan om het snelle kapitaal niet alleen aan banden te leggen, maar ook om met de opbrengst ontwikkelingsdoelen te financieren. De Tobin-tax werd een cause célèbre, tot verdriet van de bedenker, die zich erover beklaagde dat zijn naam was gekaapt.

Met het verdampen van de antiglobaliseringsprotesten leek ook de Tobin-tax definitief te zijn gesneuveld, maar het idee blijkt een dracula-achtige levenswil te bezitten: zonder houten staak door het hart opende het tijdens de diepste duisternis van de kredietcrisis het lid van zijn doodskist en sloop wederom het publieke debat in. In Duitsland is een heffing op transacties van de bancaire sector inmiddels politiek geheel bespreekbaar, en dat geldt ook Frankrijk. President Sarkozy bracht het idee zelfs te elfder ure in bij de vergadering van de regeringsleiders van de twintig belangrijkste landen voor de wereldeconomie in de Amerikaanse stad Pittsburgh, twee weken geleden. Ook de inmiddels herkozen Duitse bondskanselier Merkel wees het geenszins af. Wie met een loep kijkt naar de foto’s van de verzamelde wereldleiders in Pittsburgh moet zich niet verbazen als hij bij beiden twee minieme wondjes aantreft aan de zijkant van de hals.

Het Tobin-principe is al wel aan het veranderen. Bij de discussies die binnen het Internationaal Monetair Fonds afgelopen weekeinde in Istanbul werden gevoerd, gaat het nu vooral om de betekenis van een heffing als een verzekeringspremie. De belangrijkste IMF-adviseur, John Lipsky, afkomstig van JPMorgan en Citibank, bracht het zelf te berde. Door geld uit hun handelsactiviteiten af te dragen, zouden banken zo vooraf kapitaal opzij zetten voor de schade uit een volgende financiële crisis, in plaats van dat de samenleving zoals nu achteraf voor de schade opdraait.

De vraag is natuurlijk: werkt het? Tegenstanders van een heffing stellen dat daarmee de liquiditeit in het financiële systeem wordt aangetast, en dat de innovatie in de financiële sector er door wordt tegengewerkt. Het zou de banken bemoeilijken om er weer bovenop te komen. Dit is zo’n beetje de algemene mening onder de verzamelde beleidsmakers en de vertegenwoordigers van de financiële sector die in Istanbul bijeen waren. Maar er zijn ook andere geluiden. Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz wilde er wel even tijd voor vrijmaken. „Ik ben er steeds meer van overtuigd dat je zo’n heffing kunt toepassen”, zei hij. „Je ontmoedigt er sommige van de verontrustende effecten van excessieve financiële handel mee.” Bovendien hanteerde hij een nieuw motief voor een minieme belasting op dergelijke transacties. Om belasting te kunnen heffen, moet je weten wat er gebeurt. Een heffing heeft dan ook niet alleen tot gevolg dat excessieve speculatie wordt ontmoedigd, hij levert ook noodzakelijkerwijs een registratie op van alle transacties die worden gedaan. Vehikels die buiten de balans worden gehouden, exotische producten die ondershands worden verhandeld in plaats van zichtbaar op een beurs: veel van de praktijken die bijdroegen aan de kredietcrisis komen opeens boven water als er belasting op moet worden geheven. „Met belastingheffing oefen je controle uit, en ontmoedig je risico’s”, vatte Stiglitz samen.

Maar die noodzakelijke innovatie dan? Ach, zei de Nobelprijswinnaar, het gros van de innovaties in de financiële wereld is er bij nader inzien op gericht geweest om zo kien mogelijk te arbitreren tussen de boekhoudregels en tussen verschillende toezichtregimes. „De innovaties waren met name gericht op het omzeilen van de regels die er voor bedoeld waren een crisis te voorkomen. Kijk eens naar de Amerikaanse verzekeringsreus AIG. Die heeft al innoverend de samenleving 180 miljard dollar gekost. Daar stond geen enkel voordeel tegenover.”

Nu behoort Stiglitz niet tot de meest gematigden in het economische discours, en moet maar worden bezien of het hele idee ervan komt. Maar het plan voor een heffing wint meer terrein dan van tevoren mocht worden verwacht – al is het niet om de opbrengsten door te sluizen naar de allerarmsten in de wereld, maar als verzekeringspremie, en als instrument om ongewenste en excessieve speculatie te ontmoedigen. En dat laatste komt al meer in de buurt van wat Tobin oorspronkelijk had bedoeld.

NRC Handelsblad werkt voor deze rubriek samen met de website MeJudice, www.mejudice.nl

Lezers kunnen reageren op de bijdragen van Maarten Schinkel op nrc.nl/schinkel