PvdA'ers proberen vergeefs trots te zijn

Regeringspartij PvdA verkeert in een „deplorabele staat”, zo staat in een interne e-mail van fractiesecretaris Samson.

En niemand weet hoe de situatie kan verbeteren.

Het is de maandag na de slechtste peilingen sinds mensenheugenis. Volgens Maurice de Hond – niet iemand op wie de PvdA vertrouwt, maar toch – zou de partij bij nieuwe Kamerverkiezen nog maar 14 zetels krijgen, en daarmee de zesde partij van het land worden. Veel Kamerleden van de PvdA zetten die ochtend, een week geleden, met pijn in hun buik de computer aan.

Daar vinden ze een e-mail van Diederik Samsom. Het Kamerlid had in april 2008 nipt de verkiezingen voor het fractievoorzitterschap van Mariëtte Hamer verloren. Hij is nu fractiesecretaris. Samsom wil zijn collega’s melden dat hij zich weer verkiesbaar stelt voor het fractiebestuur, waarover de fractieleden vorige week konden stemmen.

Maar eigenlijk gaat de mail ergens anders over: de neergang van de PvdA. Hij had lang geaarzeld zich weer te kandideren, schrijft Samsom. „Zeer lang.” Want de PvdA verkeert in een „deplorabele staat”. Er zijn vast veel redenen te bedenken waarom dat niet de schuld van de fractie is. Wat in ieder geval duidelijk is, is dat de fractie, „het meest zichtbare onderdeel van de PvdA”, niet in staat blijkt dat tij te keren. De prestaties zijn volgens het Kamerlid „duidelijk niet voldoende”, en daarvoor is het fractiebestuur, en hij dus ook, als eerste verantwoordelijk.

Samsom verwoordt zorgen die binnen alle geledingen van de partij al langer leven. PvdA’ers zien hoe de goede dingen die ze doen, ondersneeuwen in de slechte publiciteit die de partij keer op keer over zich afroept. Ze zien dat gezichtsbepalende figuren van de partij weinig te zien zijn, en als ze dat zijn, net zo vaak weerstand oproepen als enthousiasme.

Er is zoveel om trots op te zijn, vinden PvdA’ers. Zíj hebben de WW in deze economische crisis beschermd, dankzij hén zijn de salarissen van politieagenten en leraren verhoogd. Duurzame energie is door de PvdA weer een serieus thema. Woningcorporaties worden aangepakt. In grote en kleine gemeenten werken wethouders elke dag weer keihard aan het oplossen van complexe problemen. Waarom zien kiezers dat niet?

Niet alleen bij de fractie zijn de zorgen groot. Bij lokale afdelingen zien wethouders en raadsleden aan de horizon een electorale slachting van monumentale proporties opdoemen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 haalde de partij een kwart van de stemmen, en werd daarmee lokaal de grootste partij van het land. Met de nederlaag van de Europese verkiezingen nog in het geheugen en een schuin oog op de peilingen, verwachten sommige partijleden dat de PvdA misschien wel meer dan de helft van die stemmen moet inleveren. Een vooruitzicht dat veel onrustige raadsleden en wethouders oplevert.

Over de zwakke plekken zijn veel PvdA’ers het eens. Allereerst is er de fractie zelf, die zich volgens hen veel te bestuurlijk en apolitiek opstelt. Zo verdwijnt het ongefilterde PvdA-geluid uit het debat. De fractie is te vaak onzichtbaar in het geweld van de oppositie. Hamer is daar deels verantwoordelijk voor, zeggen fractieleden. Ze probeert alles te controleren.

Ook op haar openbare optredens is kritiek. Al bij haar verkiezing was duidelijk dat Hamer geen sterke debater is. Haar krachten liggen elders: in het onderhandelen met de coalitiepartners en het kabinet, in het managen van de fractie. Hamer mag dan weinig mensen buiten de politiek overtuigen, ze krijgt wel dingen voor elkaar. Dat vinden ook haar critici.

Maar nu de verkiezingen dichterbij komen, zijn er PvdA’ers die het gemis aan een meeslepende fractievoorzitter steeds sterker voelen. Sommige Kamerleden luisterden met gekromde tenen hoe Hamer bij de Algemene Beschouwingen drie weken geleden een deel van de songtekst van het lied 15 miljoen mensen opzegde. „Het was alsof ze uit een kinderboek voorlas”, zegt een PvdA’er. Zo win je de electorale oorlog niet, denken zij.

De openbare optredens van andere PvdA-gezichten baren partijgenoten zorgen. Behalve partijleider Wouter Bos op Financiën zijn er nauwelijks ministers die de partij veel goed doen. Jacqueline Cramer (Milieu) en Ronald Plasterk (Onderwijs) zijn niet het PvdA-gezicht in het kabinet geworden waarop de partij hoopte. Eberhard van der Laan (Integratie), kan er een worden, maar veel tijd heeft hij niet meer.

Over het partijbestuur bestaat ook al niet veel vrolijkheid. Allereerst is er de haperende campagneorganisatie. Na de landelijke verkiezingen van 2006 kwam er een nieuw campagneteam dat nog veel moet leren, zeggen PvdA’ers. Het helpt ook niet dat de verkiezingskas bijna leeg is. Partijvoorzitter Lilianne Ploumen werkt hard aan de verbouwing van de organisatie, maar geeft de partij volgens sommigen weinig gezicht.

Wel groeit binnen de fractie het besef dat het „erop of eronder” is, zegt een Kamerlid. „Wij zijn strijdbaar”, zegt een ander. Ze verwijzen trots naar de blokkade die PvdA’er Martijn van Dam (met coalitiegenoot ChristenUnie) opwierp tegen een nieuwe missie in Uruzgan. Ze noemen Kamerlid Lia Roefs, die in het debat over de verdieping van Westerschelde openlijk en scherp kritiek levert op het kabinet.

Hoe nu verder? Daarop heeft Samsom in zijn e-mail aan collega’s geen antwoord: „Hoopvolle gedachten dat dit wel weer overwaait, dat we uiteindelijk beloond worden wanneer we volhouden, dat de kiezersgril net zo makkelijk weer onze kant op komt waaien, kunnen we echt beter laten varen. Met gewoon doorwerken helpen we onze beweging er niet bovenop. Er is een drastischer aanpak nodig.” Wat die is, moet de komende tijd blijken.