Opwaardering yuan kan wachten

De té lage wisselkoers van de Chinese munt (de yuan) heeft bijgedragen aan de mondiale onevenwichtigheden die de wereldleiders nu parten spelen. Naarmate de financiële crisis wegebt, wordt de roep om een opwaardering van de yuan luider, meest recent van Dominique Strauss-Kahn, hoofd van het Internationale Monetaire Fonds. Deels heeft hij gelijk. Een stabielere wereld heeft inderdaad behoefte aan een hogere waarde voor de yuan – alleen nú nog niet.

Critici van het Chinese wisselkoersbeleid zeggen dat een duurdere yuan de scherpste kantjes van de mondiale onevenwichtigheden weg zou nemen: het overschot op de Chinese handelsbalans van 200 miljard dollar en de 2.000 miljard dollar aan Chinese valutareserves. De Chinese exporten zouden duurder worden, zodat consumenten als die in de VS minder Chinese producten zouden afnemen. De importen zouden goedkoper worden, zodat China meer zou consumeren. En voorwaar: de onevenwichtigheden zouden verdwijnen als sneeuw voor de zon.

Economen twisten over de vraag hoeveel duurder de munt zou moeten worden. Het Peterson Institute denkt dat de yuan 40 procent te goedkop is. Maar het laag houden van zijn munt heeft China in staat gesteld zijn export concurrerend te houden, en zijn werknemers aan het werk. Werkgelegenheid is een topprioriteit voor een groot land, waar nog niet zo lang geleden een revolutie heeft plaatsgevonden.

In de hedendaagse gemondialiseerde en gecompliceerde wereld liggen deze zaken bovendien niet zo eenvoudig. Ongeveer de helft van de Chinese export is niet echt ‘Made in China’, maar wordt daar slechts afgewerkt. Met een sterkere munt zou de export wellicht afnemen, maar ook de import, waardoor het effect op het handelsoverschot teniet wordt gedaan.

Ook de ondernemerszin zou in de weg kunnen gaan zitten. Stelt u zich een exporteur voor, wiens producten in dollars plotseling 40 procent méér zijn gaan kosten. Hij zou voor een keuze staan: minder verkopen en bijdragen aan het herstel van het mondiale evenwicht, of de prijzen verlagen om marktaandeel te behouden, waarbij de leveranciers onder druk worden gezet om de winstafkalving te compenseren.

Die drang tot zelfbehoud zou de pijn zelfs kunnen verplaatsen naar China’s Aziatische handelspartners – Taiwan, Korea en Thailand. Zij kunnen niet allemaal doen wat China heeft gedaan – het compenseren van de afnemende handel door grootschalige investeringen. De investeringen als onderdeel van het bbp zijn in 2009 in heel Azië gedaald van 29 naar 26 procent, aldus Citigroup.

China heeft dringend behoefte aan een nieuw groeimodel dat niet afhankelijk is van de export of van een goedkope munt. Het is niet te vroeg om te plannen, maar te snelle verandering kan de delicate overgang van China in chaos doen ontaarden en de fragiele economieën van de buurlanden ondermijnen, terwijl de onevenwichtigheden niet eens ongedaan gemaakt zouden worden. Verandering is een prioriteit, maar valuta-experimenten kunnen wachten.

Vertaling Menno Grootveld

Voor meer commentaaruit Londen: www.breakingviews.com