Kinderboek brengt gehaat spruitje als heerlijke snack

Jeugdliteratuur Jan Paul Schutten: De wraak van het spruitje, 95 blz. Gratis bij aanschaf van minimaal 10 euro aan kinderboeken.***

De hasselbramenjam in Pluk van de Petteflet, de rozijnen in Daantje de wereldkampioen, de Smekkies-in-alle-smaken in Harry Potter – voedsel zit in het dna van de kinderliteratuur. Vooral snoep staat voor anarchie, voor het ontregelen van de normale verhoudingen. De hasselbramenjam laat volwassenen als kinderen spelen, de rozijnen met drank laten fazanten wild worden en de smekkies zijn een kleine ondeugd van een oude tovenaar.

Het thema ‘Aan tafel’ is goed gekozen voor de 55ste kinderboekenweek, die vanavond begint met het jaarlijkse Kinderboekenbal. Tegelijkertijd is eten tegenwoordig ook een beladen thema, doordat zoveel kinderen lijden aan overgewicht. Snoep en chips staan voor vraatzucht, gebrek aan lichaamsbeweging en een bestaan voor het computerscherm.

In het kinderboekenweekgeschenk De wraak van het spruitje zet schrijver Jan Paul Schutten het zoeklicht niet op de zonnige archetypen maar op de schaduwzijde van eten. Zijn leidende vraag is simpel en doeltreffend: hoe zorg je dat kinderen gaan houden van het meest gehate voedsel, het spruitje? De zoektocht naar het antwoord leidt langs een snoepfabrikant, een hamburgerketen, een sterrenrestaurant, een voedingsinstituut, een topkok en een reclamebureau.

Dit is een kolfje naar de hand van Schutten, die is gezegend met een enorme nieuwsgierigheid en een hang naar details. Of hij nu schrijft over de taal van de dieren of de herkomst van het Gilgamesj-epos, speurder Schutten legt altijd uit hoe het precies zit – niet ongeveer. De Gouden Griffel voor zijn geschiedenisboek Kinderen van Amsterdam vorig jaar was dan ook verdiend.

De jongste speurtocht – naar het lekkere spruitje – levert tal van interessante weetjes op. Dat voedsel veel lekkerder smaakt als het een knappend geluid maakt, of als je het met je handen eet. Dat een Amerikaanse soepfabrikant zijn reclames altijd uitzond als het regende, omdat mensen dan het liefst soep kopen. Knap is ook hoe Schutten het begrip moleculair koken uitlegt, zonder de term te gebruiken, met als voorbeeld een ei dat urenlang op 64 graden romig wordt gekookt.

Bij alle voorbeelden lijkt de menselijke afkeer van gezond voedsel de rode draad. Mars besteedde jaren aan de ontwikkeling van een gezonde reep, die niet werd verkocht omdat die gezond was. In een testrestaurant kiezen mannen bij drie identieke vleesproducten voor ‘nieuw’, de vrouwen voor ‘diervriendelijk’ en kiest niemand voor ‘gezond’.

Zelfs een meester als Moshik Roth, chef van tweesterren-restaurant Het Brouwerskolkje, krijgt twee tieners niet aan het eten van gezonde groenten. De scènes waarin twee jongens bijna angstig hun tanden zetten in de meest schitterende creaties, zijn hilarisch. Vooral doordat Schutten beschrijft hoe aan een belendend tafeltje een Frans echtpaar luidruchtig een reis naar de hemel beleeft.

Met die parallelle montage toont Schutten zich de meester van de literaire non-fictie, een genre dat een decennium terug nog nauwelijks bestond. Het is daarom jammer dat zijn zinnen soms zo vlak en lullig zijn: „In de hal worden de jassen van de jongens aangenomen door een charmante gastvrouw.”

Stilistisch kan Schutten het ‘literaire’ in zijn non-fictie meer smaak en geur geven.