Er zijn geen abstracte regels in kindertaal

Een simpele grammatica die uitsluitend gebaseerd is op de concrete uitingen van een tweejarige, verklaart zijn taalgebruik nog prima als hij drie is – zonder abstracte taalregels.

Dit blijkt uit een analyse van de taal van twee kinderen. Onderzoekers namen 28 uur van hun taaluitingen op rond hun tweede verjaardag, en nog eens twee uur rond hun derde verjaardag.

Uit hun taal destilleerde een computerprogramma ‘concrete grammatica’s’: simpele regels zoals dat achter het woord ‘Mamma’ de woorden ‘komen!’ of ‘doen’ toegestaan zijn. Die concrete regels verklaarden de taal van de peuters even goed als de gebruikelijke abstracte grammatica’s. Zulke abstracte grammatica’s schrijven bijvoorbeeld voor dat bij een zelfstandig naamwoord een werkwoord toegevoegd kan worden.

In hun artikel dat deze week in de Proceedings of the National Academy of Sciences (Early Edition) wordt gepubliceerd schrijven de onderzoekers dat deze bevindingen een bevestiging zijn van de theorie dat kinderen hun taal zelf langzaam opbouwen uit simpele elementen die ze om zich heen horen en pas langzaam abstracte grammaticale regels gaan toepassen.

De niet zo taalvlugge Brian gebruikte op zijn tweede 802 verschillende woorden en drie categorieën: plekken in de eenvoudige taalschema’s waaruit de grammatica was opgebouwd. De vlugge Annie gebruikte 1.898 woorden en vier categorieën. Op hun derde jaar liepen de kinderen vrijwel gelijk op: ze gebruikten zes categorieën en ruim 5.300 woorden.

Annie had ook al een vroeg besef van het concept ‘zelfstandig naamwoord’. Dat bleek toen bij wijze van experiment dat concept aan haar grammatica werd toegevoegd. Bij Brian was daarvan pas een effect te merken toen hij drie was. Het verder abstracter maken van de grammatica door het concept ‘werkwoord’ toe te voegen, leverde bij de kinderen weinig op.

Vaak wordt deze ‘gebruiksgebaseerde taalanalyse’ als tegenpool gezien van de inmiddels klassieke Chomskyaanse taalanalyse, die uitgaat van een aangeboren abstract grammaticavermogen. Maar Tomasello en zijn mede-auteurs benadrukken dat in de laatste versie van de ‘Universele Grammatica’ zoals Noam Chomsky die voorstelt, eigenlijk alleen nog het recursieve principe (inbedding van zinnen in zinnen) is aangeboren. Dat is niet in strijd met de conclusies van dit onderzoek.