Want er is genoeg voor elk

Boeren in Europa sproeien melk uit op het veld, terwijl men elders honger lijdt.

Toch is er genoeg voedsel op aarde. Het moet alleen wat slimmer worden verdeeld.

De melk vloeide rijkelijk over de Europese akkers afgelopen maand. Uit protest tegen de liberalisering van het landbouwbeleid – volgens boeren verantwoordelijk voor de lage melkprijs die hen tot faillissement drijft – reden boeren in onder meer Nederland, België en Frankrijk met gierwagens vol melk de akkers op en sproeiden hun melk over het land. De boeren hebben de Europese landbouwministers zover gekregen dat zij vandaag in een speciale zitting bijeenkomen voor overleg over zuivel.

Maar omstanders zagen in de protesten vooral een verspilling van voedsel. „Een treurig beeld op een moment dat een miljard mensen honger lijdt”, zei bijvoorbeeld Tweede Kamerlid Harm Evert Waalkens (PvdA) tegenover NRC Handelsblad. De leidster van het boerenverzet reageerde strijdlustig op de morele verontwaardiging. „Honger is een politiek probleem”, zei Sieta van Keimpema, voorzitter van de Dutch Dairymen Board en boerin in Friesland, tijdens een demonstratie in Den Haag, „en de politiek heeft nog nooit een vinger uitgestoken om het probleem van de honger op te lossen.” Maar kunnen we die melk dan niet beter verwerken tot boter en naar Afrika verschepen? „Dat verstoort alleen maar de lokale markten in die gebieden en maakt de boeren daar werkloos”, zegt Van Keimpema.

Voedsel is er genoeg op de wereld. Dus Van Keimpema heeft gelijk als ze stelt dat het uitrijden van duizenden liters melk niet elders op de wereld honger veroorzaakt. Tegenover één miljard ondervoede bewoners staat een gelijk aantal mensen in rijke landen dat lijdt aan overgewicht. ‘Vraatzucht’ is qua omvang net zo’n groot probleem op deze wereld als ondervoeding. Niet alleen eet men in rijke landen te veel, daarnaast verstookt men ook nog eens voedsel als brandstof – plantaardige olie en alcohol geperst en gestookt uit landbouwgewassen die deels uit ontwikkelingslanden komen, zoals de palmolieplantages in Zuidoost-Azië, en verantwoordelijk zijn voor de voedselcrisis van twee jaar terug.

Op een middag in september kwamen de knapste koppen van Nederland op landbouwgebied bijeen in Den Haag voor een discussiemiddag over voedselzekerheid – de technische term voor het verzekeren van de voedselvoorziening. Luisteren naar de conclusies van dit eminente gezelschap geeft weinig hoop op een voorspoedige oplossing van het hongerprobleem, omdat uiteindelijk voor elke overheid het hemd nader is dan de rok.

Zo lag de oorzaak van de voedselcrisis van 2007 niet in een tekort aan voedsel, maar in de stimulering van het gebruik van biobrandstoffen in rijke landen. De hoge voedselprijzen maakten een eind aan de daling van het aantal ondervoede mensen en heeft hun aantal juist opgestuwd tot ruim één miljard. „Biobrandstof is de schuldige van de voedselcrisis”, concludeert een van de inleiders expliciet. Biobrandstoffen zijn lang gezien als milieuvriendelijk alternatief voor fossiele brandstoffen, dat zou helpen met het bestrijden van klimaatverandering. In werkelijkheid creëerde de overheid kunstmatig (via het verplichte bijmengen) een nieuwe, winstgevende markt voor landbouwgewassen en ondersteunde zo de boeren.

De ontwikkeling liep simpel geschetst als volgt: olieprijzen stegen enorm in 2007 wegens de hoge economische groei. Intussen had men in de VS en de EU besloten tot een verplichting om benzine aan te lengen met biobrandstoffen. In de VS gebruikt men daarvoor ethanol gestookt uit maïs. En dus ging de maïsprijs de olie achterna. De prijzen van andere granen volgden. Deze hoge prijzen leidden tot voedselrellen in diverse landen, zoals de ‘tortillarellen’ in Mexico, waar consumenten de hoge prijs van Amerikaanse maïs direct in de portemonnee voelden. Regeringen werden bang.

Landen die afhankelijk zijn van voedselimport waren opeens bereid de gekste prijzen te betalen, en die prijzen werden extra opgestuwd door regeringen van voedselexporterende landen, die juist exportrestricties instelden uit angst anders zelf opeens tegen lege graansilo’s aan te moeten kijken. Resultaat: nog hogere prijzen en 150 miljoen wereldbewoners extra zonder eten.

Het doel van de Haagse discussiemiddag (onderdeel van een lopende serie) is bewustwording van de komende schaarste aan zaken als water, energie en voedsel op de wereld, zegt organisator Jos van Gennip, voorzitter van de Society for International Development en voormalig CDA-politicus.

Maar voedsel is er vooralsnog genoeg en dus kan een van de aanwezigen zijn emoties niet onderdrukken als de zaal eindelijk de kans krijgt te reageren. De regel bij deze bijeenkomsten is dat de sprekers niet worden geïdentificeerd, maar Hans Eenhoorn wil achteraf best uitleggen waarom hij kwaad werd. „Er is gewoon een mentaliteitsverandering nodig zodat honger niet meer voorkomt”, zegt de voormalige lector voedselzekerheid aan de Wageningse universiteit, nu lid van een groep die streeft naar een betere wereld: de Worldconnectors.

Op de hoogste etage van het gebouw van de Vrije Universiteit in Amsterdam zetelt hoogleraar Michiel Keyzer als directeur van de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvoorziening. „Het is niet de vrije markt die pervers is”, zegt Keyzer, die ook in Den Haag aanwezig was, „maar het zijn de spelers in een imperfecte vrije markt.” Keyzer wijst vooral met de beschuldigende vinger naar regeringen die chaos hebben veroorzaakt door biobrandstoffen te stimuleren of door de handel te belemmeren met exportrestricties. „In instanties als de G20 kijkt men veel te weinig naar de problemen die men zelf, de regeringen op deze wereld, creëert.”

Wat de voedselcrisis heeft aangetoond is „een grote weeffout in de regulering van de internationale handel”, stelt Keyzer. „Men heeft niet goed doordacht wat de effecten van de bestaande regulering zouden kunnen zijn in onwaarschijnlijke gevallen, zoals beperking van export.”

„In de internationale handel zijn landen er normaal altijd op gericht om hun export te bevorderen en import tegen te gaan”, aldus Keyzer, „Ten tijde van de voedselcrisis deden landen opeens het omgekeerde: ze beperkten de export en deden alles om genoeg voedsel te kunnen importeren. Er was geen mechanisme om hier tegen op te treden: dat gat in de regelgeving moet worden gedicht. De WTO (Wereldhandelsorganisatie) moet op korte termijn een exportrestrictie kunnen schorsen.”

Het belangrijkste is dat autoriteiten en andere organisaties – van lokale overheden of coöperaties tot regeringen en de WTO – ontwikkeling faciliteren en niet de markt in chaos storten, stelt Keyzer. Het internationale handelsrecht moet dus niet worden overgelaten aan advocaten die vooral bezig zijn met belangenbehartiging, terwijl op lokaal niveau in ontwikkelingslanden juist moet worden voortgebouwd op gezaghebbende collectieven met een goede staat van dienst. „Om de opbrengsten in arme landen te verhogen zijn er heel veel technisch ‘simpele’ oplossingen die echter op bestuursniveau heel moeilijk zijn door te voeren”, zegt Keyzer. Er wordt daarom al enige tijd internationaal gehamerd op de noodzaak van hogere investeringen in landbouw – niet per se in hightechproducten als gen-gewassen maar in veel basalere behoeften. Beter materiaal als zaden en meststoffen, betere irrigatie en betere infrastructuur om toegang te krijgen tot markten zouden al veel kunnen verbeteren.

Sommige ontwikkelingslanden hebben de afgelopen decennia enorme vooruitgang geboekt in het bestrijden van honger. Met name Aziatische landen als Vietnam, China of India. Het toont vooral aan hoe belangrijk het is om een goed functionerend bestuur te hebben dat de juiste prioriteiten heeft. Misschien, zo suggereert een van de aanwezigen op de discussiemiddag in Den Haag, dat deze Aziaten het beter zouden kunnen uitleggen aan Afrikanen hoe ze een einde aan de honger kunnen maken?

Europeanen zouden zelf in de tussentijd misschien kunnen heroverwegen hoe rampzalig het effect is geweest van het stimuleren van biobrandstoffen, zo suggereert een andere spreker. Graanoverschotten zouden dan aangehouden kunnen worden als reserves waarmee de overheid corrigerend kan optreden tegen prijsuitschieters in tijden van tekorten of overschotten, en niet langer verstookt worden in energiecentrales.

Tegelijkertijd moet de EU oppassen dat het veiligstellen van de eigen voedselvoorziening niet de boeren in arme landen bedreigt. Want de grens tussen voldoende voedsel en een overschot is klein, en die overschotten worden traditioneel gedumpt op de wereldmarkt. Dat is precies wat Frankrijk en Duitsland vandaag aan de andere Europese lidstaten vragen: steun voor hogere exportsubsidies voor overtollige zuivelproducten. Daarom stellen de protesterende boeren een geheel ander systeem voor: laten we de wereldmarkt vergeten en juist alleen voor ons eigen voedsel zorgen. Dan verpesten we de markt niet voor weerloze boeren in arme landen en hoeven we in Europa ook geen melk te accepteren van Amerikaanse koeien die volgestopt worden met hormonen om maar zoveel mogelijk melk te produceren.

Lees meer over de sessies van de Society for International Development en de Worldconnectors via nrcnext.nl/links