Nooit zo veel goede acteurs bij mekaar gezien

Zeldzaam: dat figuren die in de werkelijkheid zijn betrokken bij een affaire die naar oplichting ruikt, er uitzien alsof ze na lang zoeken als acteurs zijn getypecast voor een Nederlandse speelfilm.

De zaak-DSB.

De hoofdrol is meteen al perfect. Vroeger wilden regisseurs voor een boef liefst een onguur type kiezen. Dat hadden ze van Hollywood afgekeken, waar Al Capone met een uitgestreken gezicht de laatste eer kwam bewijzen aan een collega-gangster met wie hij gisteren had laten afrekenen. Als je goed keek zag je door zijn tranen heen de boeventronie.

Toen had niemand nog gehoord van de banaliteit van het kwaad. Hollywood zette op een dag de vergissing recht, en Nederland kon niet achterblijven.

De hoofdfiguur in de film is dus een zachtaardige man geworden, bijna zestig, in z’n wijde omgeving bekend als ‘Dirk’, op de bromfiets naar het werk, en weliswaar eigenaar van een voetbalvereniging, een schaatsploeg en een spaarbank met verzekeringsproducten, maar dat allemaal uit medemenselijkheid. De zachte lach – alsof hij onophoudelijk een kleinkind op schoot heeft – komt nooit van zijn gezicht.

Zou u op het idee zijn gekomen om naast ‘Dirk’ een persvoorlichter te casten die als twee druppels water op de voormalige Amsterdamse politiewoordvoerder Klaas Wilting leek? Ik niet. Zo zie je hoe het vak in al die jaren vooruit is gegaan. De boef is in z’n schaarse vrije tijd belangeloos lid van de gemeenteraad van een eerlijk Noordhollands dorp. Bij elk woord dat z’n voorlichter uitspreekt voel je intuïtief: die liegt.

Dat is het knappe van de moderne dramatische opzet: iedereen gedraagt zich verdacht, de boef geen seconde. Voorzover er overeenkomsten zijn tussen fictie en realiteit moet ik natuurlijk op m’n tellen passen, maar u begrijpt wat ik bedoel. ‘Dirk’ is boven alle verdenking verheven, maar als je je Hans van Goor voor de geest haalt – lid van de Raad van Bestuur – zie je eerst en vooral iemand die tegenover Clairy Polak onafgebroken heeft durven draaien. Ik heb de film nu zeker tien keer gezien, bij Nova, bij Pauw & Witteman, bij Kenmerk, gisteren nog bij Buitenhof, en telkens als Hans weer zíchtbaar smoesjes begon te vertellen, dacht ik: zou ‘Dirk’ nou wel weten dat een lid van zijn Bestuur op nota bene televisie de boel glashard zit te belazeren? En moet ‘Dirk’ niet ingrijpen, vóór iedereen het door hem met zuinigheid en vlijt opgebouwde imperium naar de ratsmodee heeft geholpen?

Zo werkt dat. Een bijzondere vondst is ook dat voor de overige medewerkers van de bank figuren werden gekozen die zo uit de fractie, het bestuur of een kamercentrale van de VVD konden zijn weggelopen. Nergens een katholiek die aan Gerd Leers deed denken of iemand van wie je zou kunnen vermoeden dat hij in de weekenden voor Rita Verdonk werkte. Allemaal Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. Er zat er vorige week eentje tussen dat ik overeind schoot, m’n vrouw aanstompte, en me meteen moest verontschuldigen: ‘Sorry hoor, maar ik dacht waarachtig even dat daar Robin Linschoten zat!’

De gelijkenissen met de actualiteit gaan wat mij betreft ver. Voetbal komt in het verhaal niet voor, dus er is ook niemand die in de verte herinnert aan Louis van Gaal, die een boezemvriend van ‘Dirk’ schijnt te zijn geweest. Maar ik vind het nog altijd bevredigend als AZ (zeker onder die volgegeten Koeman) verliest, en als Bayern München niet wint slaap ik ook rustiger. Maar wie ik nog steeds mis is Frank de Grave. Is hij de Deep Throat van deze film, en moet ik wachten tot hij in een donkere parkeergarage het definitieve bewijs aan het Nederlandse duo Woodward en Bernstein heeft overhandigd??

Zijn er in Nederland trouwens nog zulke scenarioschrijvers?