'Wij waren zo op onszelf'

Ada Lopes Cardozo (1952) groeide op in een gezin met een overactieve vader en een passieve moeder. ‘Ik kon jaloers zijn op families die alles samen deden.’

‘Mijn vader was een buitenmens. Hij was enorm energiek, hij vloog het huis in en uit. Hij kon niet niks doen. Wij kinderen moesten weerbaar als soldaten worden, dus nam hij ons mee op lange wandelingen en schaatstochten. Eén keer smeerde hij ons in met sneeuw, buiten in ons ondergoed – dat was goed voor de bloedsomloop. Onze intellectuele vorming vond hij ook belangrijk. Hij leerde ons allemaal schaken, en we moesten goed ons best doen op school. Mijn vader was trots op zijn eigen maatschappelijke succes. Hij had twee banen, en forensde als een van de eersten heen en weer tussen het ziekenhuis in Delft en de universiteit in Leiden. Eerst in een Citroën, later in een Mercedes.

„Mijn moeder zat het liefst te lezen. Romans, de krant, de Haagse Post. Het huishouden interesseerde haar niet zo. Ze hield wel van koken – geen Hollandse kost, maar wereldse recepten, met rijst en pasta en olijfolie. De afwas liet ze staan, die deed mijn vader. We hadden ook een werkster. Als burgemeestersdochter was mijn moeder opgegroeid met personeel, en in haar eerste huwelijk had ze een paar jaar een luxe leven geleid in Indië. Daar had ze ook leren borrelen: om vijf uur ’s middags was het tijd voor een glas sherry en een sigaret.

„Mijn ouders wilden niet te veel bij het verleden stilstaan. Mijn vaders komaf speelde in onze opvoeding geen rol; ik was 12 of 13 toen ik het begrip ‘joods’ voor het eerst hoorde. Pas toen ik 26 was, de leeftijd waarop voor hem de Tweede Wereldoorlog begon, heb ik mijn vader gevraagd of hij nu eens meer over die tijd wilde vertellen. Hij ging akkoord, op voorwaarde dat we een dag ervoor zouden uittrekken. Toen heb ik gehoord over zijn onderduiktijd en over de jaren dat hij als ‘Spaanse dokter’ over het Groningse platteland fietste – ze hadden daar nog nooit van Portugese Joden gehoord, en als zogenaamde Spanjaard kon hij zijn beroep blijven uitoefenen. Met zijn familie kon hij geen contact hebben. Alleen zijn moeder heeft de oorlog overleefd.

„Mijn vader is niet verbitterd geraakt door de oorlog. Wraak levert niks op, vond hij. Toen hij 28 was, ontmoette hij mijn moeder, die als weduwe met een zoontje van vier uit Indië was teruggekomen. Ze hadden drieënhalf jaar in het kamp gezeten. Mijn moeder had geen beroep en geen inkomen, en woonde weer bij haar familie in. Ze was alles wat mijn vader wenste in een vrouw. Ze was mooi, ze was intelligent – ze had klasse. Hij vond het niet erg dat ze al een kind had. Hij heeft geprobeerd Paul junior als zijn eigen zoon op te voeden. De familie van mijn moeder was minder blij met haar keuze voor ‘zo’n Joodse man’, maar mijn moeder heeft hen getrotseerd. Ze wilde graag verder met haar leven, en mijn vader was dol op haar.

„Doordat mijn ouders zo verschillend waren, viel ons gezin meestal in groepjes uiteen. Mijn vader ging met mijn broer Otto de waterwerken bekijken, en met mijn zusje en mij op bezoek bij oma in Leeuwarden. Mijn moeder trok veel op met Paul junior. Die twee gingen naar de film, naar musea, naar toneel. Mijn bijnaam werd ‘Makmee?’, omdat ik altijd met iedereen mee wilde.

„Eigenlijk waren wij heel modern. Nu is het doodgewoon dat gezinsleden allemaal hun eigen leven leiden. Maar ik kon vroeger wel jaloers zijn op families die alles samen deden, zonder discussies of gedoe vooraf. Wij waren zo op onszelf. Het was al uitzonderlijk als we met z’n allen aan tafel zaten.”

Boekenwand, pluisjeskleed, een klassiek houten bureau. Ze woont hier nog maar net. Haar vorige huis voelde veel te groot aan nadat haar jongste kind was vertrokken. Nu heeft ze drie kamers en een weids uitzicht. Ze zit er tevreden bij.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl