Werk mij in stukjes door mijn composthoop

Maarten ’t Hart beschrijft maandelijks hoe zijn moestuin erbij staat. In oktober buigt hij zich over de beste mest: lijken. ‘Crematie, weg ermee.’

Gezegend tuinieren staat of valt met bemesting. Het luistert nauw. Te veel mest, en de brandnetels groeien tot boven de bomen. Te weinig mest, en met name je kolen en spruiten komen niet tot wasdom. Sommige groenten, spinazie bijvoorbeeld, teel je het best op dikke stront.

Koemest blijft veruit de beste mestsoort. Veel beter dan paardenmest of kippenmest. Maar die koemest moet goed verteerd zijn. Dus je moet het minstens een jaar lang laten liggen voor je het gebruikt, en daar moet je wel de ruimte voor hebben. Nog beter is de koemest door de composthoop heen te werken. Goed verteerde compost, met als basisbestanddeel oude koemest, daar heb je het meest profijt van. Je hoeft er niet eens zoveel van te hebben. Als je overal waar je wat zaait of plant een handje compost uitstrooit, kom je een heel eind.

Aan koemest is doorgaans makkelijk te komen. De boeren willen het dolgraag kwijt. Uiteraard proberen ze je ervoor te laten betalen, maar dat moet je niet doen. Zeg tegen de boer: wees blij dat je het gratis bij mij mag dumpen.

Met groenbemesters heb ik helaas weinig gelukkige ervaringen. Zaai je ze in, dan volgt een wedloop ontkieming tussen met name het onkruid knopkruid en bijvoorbeeld de prachtige bijenplant, een prachtige groenbemester. Knopkruid wint altijd. Je kunt het uittrekken, maar dan trek je de opkomende bijenplanten mee. Ik laat nu hier en daar knopkruid maar staan en noem het groenbemester. Alles is immers een kwestie van definitie.

Er bestaat echter een vorm van bemesting die koemest en compost en bijenplanten ver overtreft.

Mijn vader, die zijn carrière begonnen was als tuinder, kwam er, toen hij doodgraver werd, al snel achter dat op zijn dodenakker, zoals hij zijn werkterrein noemde, alles „miraculeus groeide”. Hier op de begraafplaats zou ik duizelingwekkende aardappels, spinazie, tomaten en meloenen kunnen telen. Hier zouden zelfs de perziken zo groot en sappig en rood blozend worden als kinderhoofdjes, riep hij menigmaal. Wat bij hem her en der op de begraafplaats stond, kersenbomen, kruisbessen, perenbomen, kroosjes, notarisappels, leverde elk jaar weer een overvloedige opbrengst.

De doden, kortom, laten duizend bloemen bloeien. Nergens staan de gewassen er beter bij dan op voormalige slagvelden.

Ooit logeerde ik in Londen. Mijn gastheer kwam erachter dat ik de zoon was van een doodgraver. Ga vanavond mee, riep hij opgewonden, naar een meeting van onze anti-crematievereniging. Ik ging mee, en kwam terecht tussen fanatiekelingen in driedelige maatpakken. Eerst hield een keurig heerschap een referaat over ‘The Waste’. Geen grotere vorm van verspilling, aldus de spreker, dan crematie van lijken. In de loop van het leven beijverde het lichaam zich om steeds prachtiger koolstofketens en complexere eiwitverbindingen aan te maken, te koesteren en te verzamelen, en al die unieke, wonderbaarlijke en hoogwaardige chemische wonderen werden in één klap afgebroken als je een lijk verbrandde. Bracht je het lijk terug in het milieu door middel van teraardebestelling, dan bleven al die hoogwaardige eiwitten en koolstofketens intact en konden ze hergebruikt worden door planten en dieren.

Maar beter nog dan begraven was om lijken te composteren. En daarvoor moest je de beschikking hebben over „great body grinders”. Een soort takkenversnipperaar alias verhakselaar, maar dan voor lijken, en die verhakselde stoffelijke overschotten moesten uitgestrooid worden over de akkers. „Yeah, yeah”, scandeerde de heren in driedelig grijs, „great body grinders, we need great body grinders. That’s what we stand for.”

Het staat als een paal boven water dat die spreker een Binsenwahrheit verkondigde. En zijn gelijk is in de loop der jaren alleen maar groter geworden. Want als je een lijk cremeert, wat gebeurt er dan? Al die prachtige, unieke, ellenlange koolstofketens waaruit onze lichamen zijn opgebouwd, worden in een mum van tijd omgezet in, jawel, CO2 en H20. Crematie, kortom, levert een belangrijke bijdrage aan de CO2-uitstoot. Alleen al daarom zou het verboden moeten worden. Al heel lang probeer ik erachter te komen hoeveel CO2 jaarlijks in de lucht terechtkomt als gevolg van crematie. Maar dat is niet eenvoudig. Je zou per lijk moeten weten hoeveel CO2 er vrijkomt. En je moet ook weten hoeveel lijken er jaarlijks over de hele wereld gecremeerd worden. Noch het een, noch het ander valt, al google je je suf, te achterhalen. Maar dat crematie een substantiële bijdrage levert aan CO2-uitstoot, en dus aan het broeikaseffect, staat als een paal boven water. Kortom, weg ermee. Dan maar liever de Great Body Grinders. Maar simpelweg begraven is ook goed. Dan breng je al wat in zeventig jaar zo mooi werd opgespaard weer terug in het milieu, terwijl je het bij crematie domweg verkwanselt.

Zelf zou ik ’t liefst mettertijd in stukjes gehakt door mijn composthoop heen worden gewerkt. Doodzonde dat de wet op de lijkbezorging zo antiquarisch is dat zulks nog niet tot de mogelijkheden behoort.