Verkeerde been

Je zou een jongste vaderlandse geschiedenis kunnen schrijven door de ontwikkeling van het nationale gebaar te volgen. Het begint tegen het einde van de oorlog. We weten dat het goed gaat aan de fronten maar we mogen dat van de bezetter niet zeggen, en daarom steken we tersluiks de wijsvinger en middelvinger van de rechterhand op. Het V-teken. V is Victorie. Dat heeft Churchill ons geleerd. De Duitsers hebben geprobeerd het over te nemen: V is victorie want Duitsland wint op alle fronten, maar daar hebben we een antwoord op gevonden. V is victorie want Karel heeft een fiets met een bel. Vroeg absurdisme.

We werden bevrijd. Kwamen elkaar op straat tegen, de ene tilde zijn kin een beetje op alsof hij wilde zeggen: ‘En? Hoe gaat het?’ De ander stak zijn duim omhoog. Voor de bakker! En beiden gingen huns weegs. Intussen waren de grenzen opengegaan. De jongens gingen liften naar Parijs, dat wil zeggen, langs de kant van de snelweg staan. Daar wezen ze met hun duim naar het zuiden. Het duurde niet lang of er stopte een auto, meestal een vrachtwagen. Ze mochten in de laadbak, en zo rammelden ze tien of honderd kilometer in de gewenste richting. Ik heb een keer een ongelofelijk geluk gehad. Er stopte een vrachtauto met een open laadbak vol kapokbalen. Die was op weg naar St. Quentin. Daar zat ik in de zomerzon, als een vorst. Zelden heb ik me zo vrij en gelukkig gevoeld.

Liften, wordt dat nog gedaan? Zijn er nog avonturiers met voldoende optimisme of naïviteit om met hun duim omhoog op de vluchtstrook van de snelweg te gaan staan? Zijn er nog automobilisten die ervan uitgaan dat ze met goed volk te maken hebben, stoppen en de volslagen vreemdeling naast zich laten zitten? Ik weet het niet, een jaar of twintig geleden heb ik mijn laatste auto verkocht, nadat er voor de derde keer de radio was uitgerukt, zo krachtdadig dat het hele dashboard op de voorbank lag. Het gemengd nieuws lezend, denk ik dat de automobilist tegenwoordig het zekere voor het onzekere neemt, en er van uitgaat dat iedere lifter een potentiële rover of moordenaar is. De opgestoken liftduim hoort tot de geschiedenis.

Er kwamen steeds meer auto’s, de asfaltering van de natie hield daarmee geen gelijke tred en dus nam het gedrang van het blik toe, en daarmee de ergernis. Als veel varkens in een te kleine ruimte zitten opgesloten, gaan ze elkaar bijten. Automobilisten zijn veel beschaafder en bovendien zitten ze opgesloten in hun ijzeren kooi. Maar ze kunnen wel ongelofelijk woedend worden. In de begintijd van de files ontstond behoefte aan een nieuw gebaar. Dat werd het driftig met de rechter wijsvinger op het voorhoofd tikken. Meestal drie of vier keer. Als je alle invectieven, scheldwoorden, beledigingen die in dit gebaar zijn samengevat zou moeten opsommen, zou je, snel sprekend, wel een minuut nodig hebben. Dit gebaar duurt twee, hoogstens drie seconden. Zo bezien een grote stap voorwaarts in het efficiënt beledigen.

Maar de nieuwe omgangsvormen stelden nog hogere eisen. Zo is het opsteken van de rechter middelvinger in gebruik gekomen. Het blijft niet beperkt tot het snelverkeer; dit vinger opsteken is tot de universele Nederlandse omgangsvormen gaan horen. De herkomst valt moeilijk na te gaan. Ik denk dat we het in de obscene sfeer moeten zoeken, maar zolang ik daarvoor geen duidelijker aanwijzingen heb, ga ik er niet nader op in. Ik volsta ermee, vast te stellen dat het bij ons een normaal omgangsgebaar is. Die conclusie baseer ik op een kwantitatief onderzoek. In New York heb ik één keer iemand met zo’n opgestoken vinger gezien, in Parijs, Dortmund en Athene (steden waar ik ook weleens ben) nooit. In Amsterdam dit jaar 34 keer. Het moet dus wel een vaderlandse hebbelijkheid zijn.

Hoe komt het? Daarover zou een gebarenhistoricus eens zijn licht moeten laten schijnen. Waarom het volk iedere ochtend weer met zijn verkeerde been uit bed stapt.