Twintig jaar sleutelen aan het Europese bestuur

Vanmiddag zal blijken of het nieuwe EU-verdrag een van zijn laatste hordes heeft genomen. Dan komt de uitslag van het referendum dat Ierland gisteren hield.

Het Verdrag van Lissabon, waarover Ierland gisteren – voor de tweede keer – een referendum hield, dankt zijn naam aan de stad waar de regeringsleiders van de 27 EU-landen op 13 december 2007 overeenstemming bereikten over hervorming van het EU-bestuur. Het zou er doelmatiger en democratischer van worden, zeiden ze.

Het ‘Hervormingsverdrag’, zoals het ook wel wordt genoemd, herziet de verdeling van bevoegdheden, de stemverhoudingen en de werkwijze in de Europese Unie. Belangrijke onderdelen zijn dat de EU meer bevoegdheden krijgt bij asiel, immigratie en justitie, en dat het Europees Parlement daarover navenant meer te zeggen krijgt.

Impliciet geeft dit nieuwe verdrag ook antwoord op de vraag wat voor Europa de 27 lidstaten eigenlijk willen. Daarover hebben de regeringen onderling en met de kiezers de afgelopen jaren stevig overhoop gelegen. Met als uitkomst: geen ‘Verenigde Staten van Europa’, maar een ‘Europa van meer of minder nauw samenwerkende staten’. Meer, als het economie, energie, milieu en veiligheid betreft, en minder als het de ‘eigen identiteit’ raakt.

Het Hervormingsverdrag is het voorlopige einde van bijna twintig jaar sleutelen aan de bestuurlijke inrichting van de EU. Want of het nu in Maastricht (1991), Amsterdam (1997), Nice (2000) of Brussel (2004) gebeurde, telkens was er behalve de eurojubel over een ‘historisch’ verdrag, ook het besef dat het niet genoeg was om de EU beter, overzichtelijker en democratischer te laten functioneren.

In Maastricht was, zo kort na de val van de Muur, nog geen rekening gehouden met de belangstelling uit Midden- en Oost-Europa. In Amsterdam werd de deur voor nieuwkomers wel opengezet, maar de bijbehorende ‘institutionele hervorming’ wegens onenigheid uitgesteld. En in Nice werd voor de (twaalf) nieuwkomers wel iets geregeld, maar dat vonden alle betrokkenen zo onbevredigend, dat ze direct afspraken het nog eens te proberen.

Die poging, onder aanvoering van de Franse ex-president Valéry Giscard d’Estaing, mondde in 2004 uit in een verdrag dat het pretentieuze stempel ‘grondwet’ kreeg. Mede daarom werd het een jaar later bij referenda in Frankrijk en Nederland getorpedeerd.

Er volgde een ‘reflectieperiode’ waarin het neekamp (behalve Frankrijk en Nederland ook Polen, Tsjechië en het Verenigd Koninkrijk) voor een deel zijn zin kreeg. De ‘grondwet’ werd ontdaan van haar eurostatelijke symboliek (naam, vlag, hymne) en de bewaking van eventuele overdracht van bevoegdheden naar ‘Brussel’ werd verscherpt. Dit laatste is vastgelegd in twee protokollen die nationale parlementen meer kans bieden om Europese wetgeving (door de regeringen van de lidstaten in samenspraak met het Europees Parlement) tegen te houden.

Ierland is het enige EU-land dat over ‘Lissabon’ een referendum houdt. Vorig jaar juni stemden de Ieren het weg. Na enkele tegemoetkomingen – waaronder de afspraak dat de Europese Commissie níet wordt verkleind, zodat elke lidstaat het recht houdt een lid voor te dragen – werd het ze gisteren opnieuw voorgelegd.

Het Verdrag van Lissabon treedt in werking als alle 27 EU-landen het hebben goedgekeurd. Behalve het fiat van de Ieren, ontbreken nog de handtekeningen van de (eurosceptische) presidenten van Polen en Tsjechië, Lech Kaczynski en Vaclav Klaus. De parlementen in beide landen hebben er wel mee ingestemd. In Tsjechië buigt het Constitutionele Hof zich nog over de vraag of het nieuwe EU-verdrag wel valt te rijmen met de eigen grondwet en de nationale soevereiniteit niet ondermijnt.

Volg de uitslag van het Ierse referendum op nrc.nl.

Rectificatie / Gerectificeerd

correcties en aanvullingen

Referendum

In de illustratie De moeizame weg van de EU naar een efficiënt bestuur ( 3 oktober, pagina 5) staat dat Nederland en Frankrijk de Europese Grondwet in 2004 verwierpen. Dat was in 2005.