Tweede Pinksterdag in Zeeland 4: Het aanbod

Op een hoogtijdag ga je een eindje rijden met de familie. Voorpublicatie uit de ‘Een dorsvloer vol confetti’ van Franca Treur.

Wat vooraf ging: boerendochter Katelijne wilde op Tweede Pinksterdag met vriendinnen naar het strand, maar moet mee met haar familie om een maisveld te inspecteren. Ze is brutaal tegen haar moeder. Als ze op de dijk bij Westkapelle gaan wandelen, spreekt ze een onbekende man aan met de woorden: „Ben je alleen?” Ja, zegt hij.

„Ik kom uit Den Haag,” zegt de man. Hij glimlacht.

Uit Holland. Niet eens uit Middelburg, wat ze had gedacht.

„Bent u niet getrouwd?”

„Niet meer.”

Ze zuigt haar wangen vol lucht. Nu of nooit, denkt ze.

„Als er toch nooit iemand is die op u wacht en waar u een beetje aanspraak aan heeft, lijkt het u dan misschien iets…”

Ze durft niet verder.

„Wat lijkt me iets?” vraagt de man.

„Nou, misschien, dat ik erbij kom wonen.” Ze kijkt naar de nagel van haar grote teen, die uit haar sandaal steekt. Hij is aan de rand een beetje gelig, omdat hij een keer ingegroeid is geweest. De dokter heeft er aan de zijkant een stuk af gesneden.

Ze denkt eraan hoe ze later zal zeggen hoe wonderlijk God hen bij elkaar heeft gebracht.

De man lacht nu hardop en vraagt haar of ze dat zou willen.

„Ja,” zegt ze met overtuiging. Haar hart klopt opeens sneller, en ze durft hem niet goed in de ogen te kijken. „Ik kan goed aardappels schillen en tuinbonen doppen en afdrogen en strijken en bedden opmaken en...” Ze noemt de dingen op die ze altijd voor de moeder moet doen.

„Sjonge,” zegt de man. „Kun je dat allemaal?” Zijn gezicht verandert. Hij lijkt opeens heel erg op zijn gemak.

„Nog veel meer,” zegt ze, door zijn verbazing aangemoedigd. „Ook het klompenkotje zemen, schoenen poetsen, matten kloppen, de was ophangen, bessen plukken en nog véél meer.” Wat heeft ze nog niet genoemd?

„En koken,” liegt ze. Misschien wil de man haar alleen als ze ook voor hem kan koken. Ze ziet dat hij haar niet gelooft. „Eieren koken,” zegt ze snel. „Ik prik ze eerst en leg ze dan met een lepel in het water. Zes minuten koken, dan zijn ze niet keihard, maar wel net lekker stijf.”

„En in bed, wat kun je allemaal in bed?” De man kijkt naar haar rok.

„Wat?” Ze kijkt verlegen naar haar knieën.

„Kun je je benen goed wijd doen? Of ben je daar nog te klein voor?” Er zit een vuil lachje op zijn gezicht, waardoor ze er plotseling niet meer zo happig op is om bij hem te gaan wonen. Dat lachje kent ze. Het is het lachje waarmee veekoopmannen soms naar haar kijken. Ze blijft nog even staan, tot de man van haar wegkijkt en met zijn voet gaat schuiven.

Beschaamd draait ze zich van hem weg en loopt ze terug naar het kanon - eerst snel, dan steeds trager.

„Ik ben nergens te klein voor,” zegt ze zachtjes. Haar dijen schuren tegen elkaar. Als ze bij de auto aankomt, is de familie alweer aan het instappen. In een wolk van uitlaatgas rijden ze de dijk af.

„Wat moest je van die man?” vraagt de vader. „Kende je die?”

„Nee.”

„Praat jij zomaar met wildvreemden?”

„Brutaal nest,” zegt de moeder.

Wordt dinsdag vervolgd: slot