Strategisch kleurenblind

Driekwart van de Amerikaanse blanke ouders praat thuis nauwelijks over ras, om correct te zijn. Maar dat blijkt dé manier om racisme aan te moedigen.

Hoeveel witte mensen zijn aardig? Hoeveel zwarte mensen zijn aardig? Vraag dat eens aan kinderen in de basisschoolleeftijd. Voor de antwoorden mogen ze kiezen uit ‘bijna allemaal’, ‘veel’, ‘sommige’, ‘niet veel’, en ‘niet een’.

En varieer: Hoeveel witte en hoeveel zwarte mensen zijn leuk? Oneerlijk? Mooi?

Ik nam de proef op de som met mijn dochter (5) en zoon (7). Zij gaan hier met groot plezier naar een vrolijke openbare school met 25 nationaliteiten, waar maar een kwart van de kinderen wit is. Toch gaven mijn kinderen de antwoorden waar ik helemaal niet op rekende.

De vragen komen uit onderzoek aan de Universiteit van Texas. Ze staan in Nurture Shock van Po Bronson en Ahsley Merryman, een boek dat aannames over opvoeden tegen het licht houdt. Bronson en Merryman leunen zwaar op een flinke stapel wetenschappelijk onderzoek. Newsweek wijdde deze maand de cover aan het hoofdstuk ‘Waarom witte ouders niet over ras praten’. En nu heeft iedereen het erover.

In wit Amerika wordt minder over ras gesproken dan je zou denken. Er wordt over geschréven, maar niet gesproken. Of zoals een blogger het uitdrukte: „Ik praat met mijn kinderen liever over seks dan over ras.”

Als mijn kinderen uit school komen met verhalen over kinderen die ik niet kan thuisbrengen, dan vraag ik altijd eerst of we het hier over een zwart, wit of bruin kind hebben. Dan zijn we er sneller uit wie we bedoelen. Amerikaanse blanke ouders doen dat niet. Een onderzoek van Tufts University en Harvard wees uit dat blanken, als ze gevraagd wordt een zwart persoon te beschrijven, zich in alle mogelijke bochten wringen om geen huidskleur te hoeven noemen. De onderzoekers noemen dat ‘strategische kleurenblindheid’. Van alle blanke Amerikaanse ouders is 75 procent strategisch kleurenblind. Een even grote groep niet-blanke ouders noemt ras juist wél.

Veel witte ouders zien alleen al het praten over ras als een vorm van racisme. Maar goedbedoelde vaagheden als ‘Iedereen is gelijk’ of ‘Onder onze huid zijn we allemaal hetzelfde’ kunnen slecht uitpakken. Kinderen worden wél op andere kleurverschillen gewezen: roze is een meisjeskleur en blauw is voor jongens. Maar over het verschil tussen zwart, bruin, wit, mag je niet praten. Kinderen denken dan al snel dat er met huidskleur dus wel iets mis zal zijn.

Witte ouders die hun kind naar een diverse school brengen, in de hoop dat het daar vanzelf tolerantie voor andere rassen en culturen aanleert, hebben het ook mis. Hoe meer divers de populatie van een school, toonde onderzoek van Duke University aan, hoe vaker kinderen van vergelijkbare herkomst zich gaan afscheiden.

Waar precies gaat het fout? Dat heeft vermoedelijk met ‘essentialisme’ te maken, legt Nurture Shock uit: de aanname dat wat zich in één groep bevindt, dezelfde eigenschappen heeft. Jonge kinderen zijn essentialisten, omdat ze het concept willekeur gewoon nog niet begrijpen. Kinderen categoriseren alles. En ze gaan daarbij uit van wat het duidelijkst zichtbaar is.

Ontwikkelingspsycholoog Rebecca Bigler verdeelde kleuterklassen in tweeën. De ene helft kreeg voor een paar weken rode T-shirts aan, de andere helft blauwe. Tijdens de pauze speelden alle kinderen vanzelf samen. Maar als ze gevraagd werd bij welke kleur je het beste kon horen, noemden de kinderen altijd de kleur van hun eigen T-shirt. Ook bleken de kinderen van mening dat kinderen in hun eigen kleur shirt aardiger en slimmer waren.

Kinderen, concludeert Bigler, selecteren op ras zolang niemand ze leert dat het anders kan. Dat is niet aangeleerd, maar aangeboren. Het is een kwestie van opvoeding om kinderen expliciet op andere gedachten te brengen. En je moet er snel bij zijn. De neiging op ras te selecteren blijkt onder elfjarigen al een stuk moeilijker af te leren dan bij vijfjarigen.

Maar hóé? Zelf praat ik duidelijk genoeg over ras met mijn kinderen, dacht ik. Ik heb het bijvoorbeeld nogal eens over verschillen in kansen, omdat die nu eenmaal erg zichtbaar zijn in Washington. Toch kwamen ze met die antwoorden.

Nurture Shock geeft het antwoord ook nog niet. Wel wordt nog een onderzoek genoemd van ontwikkelingspsycholoog Bigler, waarin kinderen een biografie te lezen kregen van Jackie Robinson, de eerste zwarte profhonkballer van Amerika. De ene helft kreeg alleen te lezen dat hij een geweldige honkballer was. De andere helft kreeg daarbij duidelijke voorbeelden van de discriminatie die Robinson had moeten overwinnen. Alleen de laatste groep ging aardiger over mensen met een andere huidskleur denken.

Het wekt de indruk dat Obama de discriminatie die hij zelf heeft meegemaakt, misschien toch vaker zou moeten bespreken dan hem lief is. Een zwarte president zijn, blijkt op zichzelf nog niet genoeg. Eigenlijk redeneert Obama als een blanke ouder.