Lage Groeilanden

‘Papa, waar ben je?’ “In een stad van zes miljoen waar je nog nooit van gehoord hebt.”Dalian is een moderne havenstad in het noorden van China waar vrij met de markteconomie wordt geëxperimenteerd. Ik was daar onlangs te gast bij het World Economic Forum, samen met zestig jonge onderzoekers geselecteerd door de Academies van Wetenschappen van de wereld. In deze zomeruitgave van de bekende bijeenkomst in Davos bespreken ondernemers, bankiers, politici en journalisten de toestand van de wereld vooral vanuit Aziatisch perspectief. De aanwezigheid van jong onderzoekstalent was gepast, want de wind van wetenschap en technologie draait steeds sterker naar het oosten.

Als afgevaardigde van de Lage Groeilanden was het wel even wennen. Tijdens een besloten bijeenkomst met de Chinese minister van Wetenschap en Technologie, Wan Gang, werd de dynamiek van Azië weer eens duidelijk, ook in deze slechte tijden. Met een gigantisch stimuleringspakket, betaald uit de door exporten gevulde schatkist, heeft China de interne markt flink aangewakkerd en kan de economie dit jaar met 8 procent blijven groeien. De investeringen in wetenschap en technologie lopen echter niet in de pas. Ze gaan aanzienlijk sneller. Dit jaar groeide het budget met 24 procent; voor volgend jaar wordt op 30 procent extra budget gerekend. Saillant detail: de uitgaven aan fundamenteel onderzoek groeien zelfs met 35 procent. De minister was in het gesprek met de jonge wetenschappers overigens openhartig over wat volgens hem het belangrijkste probleem van China is: de structuur van het onderwijs. Daar ligt nog te veel nadruk op de goede antwoorden in plaats van de goede vragen.

Deze duizelingwekkende groeicijfers vragen om een minicollege wiskunde. De eerste afgeleide is de groei, de snelheid. Daar raak je gemakkelijk aan gewend. In een trein die met constante snelheid rijdt merk je niet dat je in beweging bent. Zo moet China wel met 8 procent per jaar blijven groeien om geen grote interne problemen op te roepen. De tweede afgeleide meet de groei van de groei, de versnelling. Ook daar kun je aan wennen. Als je continu versnelt, zoals bij een vliegtuig dat vaart maakt op de startbaan, word je dieper in je stoel geduwd – een beetje meer zwaartekracht, maar niet onaangenaam. Het echte criterium is de derde afgeleide, de groei van de groei van de groei. Dat voel je in je maag, daar gaat het je van duizelen, op de achterbank in de auto en als deelnemer in Dalian.

De betekenis van wetenschap en technologie in China weerspiegelt zich ook in het profiel van de leiders. Zo’n 90 procent van hen is ingenieur of wetenschapper. Dat geldt in het bijzonder voor de topposities. Neem de Chinese minister van Gezondheid Chen Zhu, een dokter met 1,3 miljard patiënten. De gezondheid van eenvijfde van de wereldbevolking rust op de schouders van deze gelauwerde moleculair bioloog, onder anderen buitenlands lid van de Academies van de Verenigde Staten en Frankrijk. Tijdens de SARS-epidemie van 2003 vestigde hij de aandacht van de Chinese autoriteiten op zich en vier jaar later werd hij tot minister benoemd.

Toen ik in Peking landde, lachte Chen Zhu me toe vanaf de voorpagina van de Chinese kranten. Hij had net zelf de eerst vaccinatie genomen tegen de Mexicaanse griep, het begin van een massale inentingscampagne voor de 1 oktoberviering. Ondanks zijn zware verantwoordelijkheden is Chen Zhu een bijzonder ontspannen en toegankelijke man. Hij beantwoordt ook op andere wijze niet aan de clichés: hij is de enige minister in het Chinese kabinet zonder partijaffiliatie. Zijn collega Wan Gang is trouwens de tweede uitzondering, als lid van een andere partij dan de communistische.

China worstelt natuurlijk met enorme problemen en wordt op dit moment als een groot ingenieursproject geleid. Evidence-based policy wordt op een schaal toegepast waar men hier bij zou fronsen. Sommige steden of regio’s worden langs compleet verschillende lijnen bestuurd. Het experiment zal uiteindelijk leren welke aanpak het verdient om opgeschaald te worden. Jammer wellicht als je in de controlegroep zit. Hierbij kijkt men ver vooruit. Zo heeft de Chinese Academie van Wetenschappen deze zomer een technologie- en innovatieverkenning tot het jaar 2050 gepubliceerd, met veel nadruk op duurzame energievoorziening en een schoon milieu. Want één ding is duidelijk: het nieuwe rode boekje heeft een groen kaftje.

De lange historische lijnen waarlangs China traditioneel denkt zijn goed voor menige anekdote, te beginnen met de befaamde uitspraak van oud-premier Zhou Enlai dat het te vroeg is om te zeggen wat de impact van de Franse revolutie is. Vanuit het perspectief van een land dat al vele millennia bestaat en net uit een dip van twee eeuwen komt, is dat wellicht te begrijpen. Veertig jaar vooruitkijken is ook niet ongebruikelijk voor ingenieurs, of dat nu de bouw van deltawerken, digitale infrastructuur of een deeltjesversneller betreft. Het contrast is wel groot met de kortademigheid van de westerse politiek en bedrijfsleven, waar de volgende verkiezing of bestuurswisseling het soms moeilijk maakt om meer dan vier jaar vooruit te kijken.

Maar hoe gaat het met de fundamentele wetenschap in China, bijvoorbeeld in vakgebieden als de wiskunde en theoretische fysica waar de technologische toepassingen zoveel verder weg liggen? Tijdens mijn bezoek stond ik erop om ook een voordracht in Peking te geven over mijn meest recente natuurkundeartikel dat juist die dag op internet was verschenen. Dat was een bijzondere ervaring. Er zat een student in de zaal die het al had gelezen en opvallend rake vragen wist te stellen. Toen ik echter de directeur van het instituut feliciteerde met dit veelbelovende talent, moest hij toegeven dat hij deze student nooit eerder had gezien. Mijn collega had over mijn bezoek op zijn weblog geschreven en daar was deze student uit een naburige universiteit op afgekomen.

In Dalian werd ook de nieuwste wereldranglijst van competitieve innovatieve economieën gepresenteerd. Nederland stond ooit in de top-5, maar viel dit jaar terug van de 8e naar de 10e plaats, ingehaald door Canada en Japan. Van de Europese landen staan Zwitserland, Zweden, Finland en Duitsland boven ons. Mooie cijfers op ons rapport zijn de hoge ogen die het onderwijs nog steeds gooit, de ‘agressieve absorptie’ (hun woorden, niet de mijne) van nieuwe technologie door ons bedrijfsleven en de brede omarming van internet door de Nederlandse bevolking. Maar er staan dikke onvoldoendes, door een inefficiënte bureaucratie en een inflexibele arbeidsmarkt. De terugval van dit jaar is voornamelijk te danken aan de verzwakking van onze financiële sector, iets waar de genoemde Scandinavische landen minder onder hebben geleden. (We hebben het hier even niet over IJsland.)

Het is natuurlijk belangrijk dat we wat innovatie betreft nog bij de eerste tien horen. China heeft daarin nog een lange weg te gaan. Dat we echter niet op onze lauweren kunnen rusten wordt duidelijk als we over onze schouder naar de nummers 11 en 12 kijken: Hong Kong en Taiwan, twee landen volop in beweging, die vanuit Chinees perspectief binnen- noch buitenland zijn. Terug naar het Westen. Bij de Algemene Beschouwingen is kamerbreed een motie aangenomen volgens welke Nederland in de wereldtop-5 moet komen wat onderwijs en onderzoek betreft. Geweldig dat iedereen daar vóór is, of beter gezegd, dat niemand daar (publiekelijk) tegen is. Maar ik ben wel benieuwd hoe hard deze boodschap in Peking is aangekomen.