Karst T. leed aan de paranoia van de machtelozen Elke blik, elk teken, elk bericht getuigt van een samenzwerende macht

De staat pretendeert dat hij alles stuurt en ongeluk voorkomt. Omdat dit valse schijn is, denken aanslagplegers dat de machthebbers bedriegers zijn, schrijft de Duitse literatuurwetenschapper Manfred Schneider.

Elke blik, elk teken, elk bericht getuigt van een samenzwerende macht. Illustratie Olivia Ettema Ettema, Olivia

Manfred Schneider is hoogleraar esthetica en literaire media aan de Ruhr-universiteit van Bochum.

Reeds vóór 11 september 2001 hadden aanslagen en het risico daarop invloed op de politiek. In de afgelopen tweehonderd jaar ontwikkelde de gewelddadige aanval op machthebbers en politieke symbolen zich tot een fenomeen waar voortdurend voor wordt gevreesd. Anders dan bij de politieke moord die machthebbers zelf plegen of laten plegen, zijn het bij een aanslag juist de machtelozen die naar de wapens grijpen.

Nobelprijswinnaar Elias Canetti omschreef paranoia ooit eens als „ziekte van de macht”. Hij dacht daarbij vooral aan Romeinse keizers als Caligula of Commodus en aan dictators als Stalin of Hitler, die verschrikkelijk angstig en buitengewoon wreed reageerden op het geringste teken van oppositie of verzet.

Inmiddels is paranoia ook een ziekte van de machtelozen. De sluipschutters en plegers van (zelfmoord)aanslagen op scholen die in vele Europese landen of in de VS voor bloederige krantenkoppen zorgen, rebelleren niet tegen dictators, onrecht, wrede leraren of geweld dat hun is aangedaan. Nee, ze zijn bezeten van het idee dat de beelden van de politiek en de werkelijkheid zoals die worden afgeschilderd in kranten, op tv of op internet, niet kloppen.

De geschiedenis van dit machteloze geweld in de VS en Europa – onlangs ook in Nederland – laat zien dat de vreedzame samenleving die men met een moderne liberale democratie dacht te bereiken, nooit helemaal is gerealiseerd. Als een schaduw volgt de argwaan de macht. Beperking van de macht door grondwetten, vrije verkiezingen, beperkte ambtstermijnen voor politieke functies, de derde macht van rechtbanken, een onafhankelijke pers en openbaarheid op internet hebben geen volledig vertrouwen in de politiek kunnen scheppen.

Het tegendeel lijkt te gebeuren: hoe sterker het politieke theater wordt uitgelicht, en hoe dichterbij de politici op ons beeldscherm komen zodat wij aan het roze van hun tong kunnen aflezen of ze de waarheid spreken, hoe ongrijpbaarder en onbereikbaarder de achtergrond lijkt te worden. Met de zichtbaarheid wordt de onzichtbaarheid groter. De ontmoedigende balans: hoe opener de wereld van de politiek, hoe groter de achterdocht van de machtelozen dat er feiten worden verhuld en dat het werkelijke spel zich achter de schermen afspeelt.

Aldus denkt en spreekt de alledaagse, populaire paranoia. Aldus ook denken en spreken wanhopige en van haat vervulde aanslagplegers die het met wapens, bommen en explosievengordels op de machtigen der aarde hebben gemunt.

Tot de ziekte van de macht waaraan de machtelozen lijden, behoort niet alleen de verdenking dat de politiek geheime zaken bekokstooft. Een ander symptoom is het geloof zelf uitverkoren te zijn al het kwaad te bestrijden. De sluipschutter die in oktober 2002 in de omgeving van Washington argeloze burgers vanuit een hinderlaag beschoot, liet op de plaats delict een tarotkaart achter met de boodschap ‘Geachte politieagent, ik ben God.’ De 17-jarige schutter Eric Harris die samen met zijn vriend Dylan Klebold op 20 april 1999 op de Columbine Highschool bij Denver, Colorado, twaalf leerlingen doodschoot, schreef in zijn dagboek meermaals de zin ‘I feel like God”. De jonge Duitse schutter Sebastian Bosse, die op 20 november 2006 op de Geschwister Scholl Schule in Emsdetten leraren en leerlingen neerschoot, van wie er gelukkig slechts een paar zwaargewond raakten, verklaarde in zijn afscheidsvideo op internet in het Engels: “I was godlike and I began planning this massacre” (Ik was als God en begon deze slachting voor te bereiden). Dat ook veel aanslagplegers handelen vanuit de overtuiging dat God zelf hen tot moord aanzet, zien we bijna dagelijks terug in de nieuwsberichten en dreigingen van jihadstrijders over de hele wereld.

God werd in de taal van middeleeuwse juristen ‘administrator mundi’ genoemd, bestuurder van de wereld, van de natuur, van het leven. God was de Heer van alle contingenties – alle toevalligheden, alle mogelijkheden. De moordenaar die voor God speelt, wil ingrijpen in dit bestuur en maakt ten onrechte aanspraak op de heerschappij over het leven. De bureaumoordenaars die de gaskamers vulden, de schutters op scholen en de zelfmoordenaars behoren zo bezien tot dezelfde onmenselijke soort. Het zijn bloedige simulanten van God en gruwelijke ambtenaren. Hun daden zijn een bovennatuurlijke, onbevoegde ambtsuitoefening.

De paranoia en de buitenwerkelijke arrogantie van de aanslagplegers zijn een neveneffect van het succes dat de moderne liberale maatschappijen in de geschiedenis heeft weten te behalen. Zij konden in Europa een hoge mate aan veiligheid en betrouwbaarheid garanderen, zij konden verwachtingen inlossen. Zij leken elk toeval te hebben overwonnen dat het moderne protestantisme sinds de zestiende eeuw had gecreëerd. Immers, de calvinistische hervormingen in Engeland, Nederland en in de VS hielden juist in dat de gelovigen niet langer werden gesust met de zekerheid van de verlossing, maar in volledige onzekerheid moesten leven. Geen enkele gelovige protestant kon er zeker van zijn dat hij door goede daden, aanpassing en vroomheid Gods genade zou ontvangen. Hij moest ermee leven dat God het privilege van de genade volgens niet te beïnvloeden criteria verleende. En die onzekerheid van de protestant over het eigen lot bracht volgens de Duitse socioloog Max Weber juist de dynamiek van de moderne tijd met zijn technische, economische en politieke rationaliteit teweeg.

De moderne maatschappijen hebben inmiddels een mate van veiligheid en daarmee een blindheid voor het toeval aan de dag gelegd die averechts werkt. De politiek van een staat wil niets weten van het onberekenbare dat de aanslag tentoonspreidt. Maar het eigenlijke werkgebied van de politiek is juist dat onberekenbare en toevallige, niet het verstandige, regelbare en wetmatige. Niet de voorspelbare bureaucratie bepaalt de politiek, maar het onverwachte, dat slim of moedig handelen vereist.

In een eerbiedwaardige metafoor werd de staat ooit vergeleken met een schip, en de politicus met een stuurman die het staatsschip door stormen, golven en langs klippen moest loodsen. Onze moderne staat is echter zonder metaforen. Hij werkt als een abstracte machine van ingeloste verwachtingen die geen noodweer meer wil kennen. De politieke discussie verloochent het toeval van conjuncturen, meningen, beursbewegingen, financiële problemen, oorlogen en milieurisico’s doordat men alles overlaat aan de berekeningen en prognoses van statistici en planners. Zo lijkt de loop der dingen altijd in de lijn der verwachting te liggen.

Toch bestaat het onvoorspelbare nog steeds: de crash van de banken, de stommiteit van een staatsman, de krankzinnigheid van een aanslagpleger, de pech van een individu. In de begintijd van de liberale democratie in de achttiende en negentiende eeuw wist elke gelovige nog, dat zijn lot – in gunstige of ongunstige zin – afhankelijk was van de onberekenbare beslissing van God, dat alles afhing van de contingentie van Zijn hemelse welwillendheid. Wij daarentegen, kinderen van de verzorgingsstaat, welvaart, gezondheidsstelsels en preventieve instellingen, geven de politiek, de wereldlijke macht en haar vertegenwoordigers de schuld, wanneer het ongeluk ons treft.

De verschrikkelijke aanslag van de 38-jarige Karst Roeland T. op 30 april jl. op de koninklijke familie lijkt een uiting te zijn van deze moderne waan. De man had zijn baan verloren en was zijn huis kwijtgeraakt; dit dreef de anders zo goed aangepaste en beslist niet gestoorde man ertoe zijn auto als moordwapen te gebruiken en zich als ongeleid projectiel op de koningin te storten.

De paranoia interpreteert de wereld door alle toeval uit te wissen. Anders gezegd: zij ontkent het toeval. Zij is bezeten door Kants teleologische rede, die zegt dat niets in de organische wereld zonder reden of ondoelmatig is. De paranoïcus kijkt echter niet alleen naar de organische wereld. Hij bekijkt elke gebeurtenis, elke geringste verandering kritisch om te achterhalen of er een bepaalde reden of anonieme wil aan ten grondslag ligt. Overal vermoedt hij een complot, de hand van een onzichtbare macht. Elke vleugelslag, elke blik, elk teken, elk bericht getuigt in zijn ogen van een samenzwerende macht.

Paranoia is geen waanzin. Het is een ziekte die deels voortkomt uit de misleidende belofte van de staatsmacht de wereld te verlossen van de mogelijkheid op oorlog, faillissement, werkloosheid, ziekte en mislukkingen. Echter, doordat geen enkele staat, geen enkel instituut en geen enkel mens volledig kan garanderen dat deze verwachtingen worden gerealiseerd, voeden de machthebbers de argwaan dat zij bedriegers zijn.

En de aanslagpleger wil dat onjuiste beeld van de macht vernietigen. Hij is bezeten van dat beeld en handelt als beeldenstormer. Het beeld van de politicus weerspiegelt niet het geloof van de aanslagpleger in gerechtigheid, zekerheid en waarheid dat de moderne maatschappij moet dragen.

Dat komt ook doordat de moderne tijd het beeld van zijn heersers heeft ‘ontwapend’. Koningen, premiers en ministers mogen de macht waarover zij beschikken niet laten zien, maar moeten deze juist doen vergeten. Zij mogen niet de indruk wekken machtig te zijn. De eeuwige glimlach van de politicus die de fotografie heeft gecreëerd, moet de gedachte aan de macht waarover hij beschikt, doen vervluchtigen. Het iconoclasme van de aanslagpleger valt dergelijke misleidende beelden aan; dit imago dat wat anders betekent dan het laat zien.

De gewelddaden van de aanslagplegers zijn voor het publiek toegankelijk door middel van het nieuws. En zo ontstaat er een hedendaagse taal van geweld die globaal en monomaan wordt geuit. Een dergelijke daad moet een bloederig spoor door het nieuws trekken en een naam en een beeld naar alle beeldschermen over de hele wereld sturen. De aanslagpleger dringt op pijnlijke wijze door in het geheugen van de beschaafde wereld om zo toegang te verkrijgen tot de zichtbare beelden en de aandacht. De daad breekt de muren af die de dader scheiden van de blikken van zijn omgeving.

Natuurlijk is dat pathologisch. Maar een gewelddaad krijgt nu eenmaal een voorkeursbehandeling in het nieuws. Wanneer bij aanslagen en bloedbaden op scholen over de hele wereld steeds weer blijkt dat de daders depressieve, wanhopige, bijzonder eenzame mensen waren, dan rijst de vraag waarom deze door waanzin en ongeluk bezetenen uitgerekend gebruik maken van deze monotone, verschrikkelijke taal om de wereld een getuigenis van zichzelf na te laten.

Deze vraag leidt tot het inzicht, dat de hypermoderne wereld onrust veroorzaakt, onrust die ons allen treft, maar die bij de meeste mensen stil en passief blijft. We worden geen seriemoordenaars, maar laten ons liever meeslepen door films, tv-series, popsongs en romans die deze daden verbeelden. Wanneer we deze geweldsdaden zien in de spiegel van onze eigen onrust en ongemotiveerdheid, dan wordt zichtbaar dat gekken en machtelozen zichzelf macht toekennen, die volgens een religieuze traditie enkel is voorbehouden aan God: het beslissen over leven en dood. In de roes van de daad plaatst de dader zich in deze positie om meestal direct weer te verdwijnen. God is de laatste instantie die de betekenisloosheid van onze eigen wereld verzegelt. Wij zullen daaraan moeten wennen. Is het niet zo dat de beelden van bloedige aanslagen in Irak of in Afghanistan lang niet meer dezelfde ontzetting teweegbrengen als de daden van individuele jonge mannen uit onze eigen omgeving? Het zijn de frequentie en de nabijheid van dergelijke gebeurtenissen die onze reacties en gemoedstoestand bepalen.

Nederland werd door de politieke aanslagen op Pim Fortuyn op 6 mei 2002, op Theo van Gogh op 2 november 2004 en op de koninklijke familie op 30 april dit jaar zwaar getroffen. Elk van deze daden die zeker allemaal een zeer uiteenlopende achtergrond hebben, toont de moderne ziekte van de macht en de machtelozen. Door gruwelijk geweld trekken zij de aandacht van de macht, zoals een kind dat alles stukslaat om de attentie van volwassenen te krijgen. Deze ziekte kan niet worden genezen. Natuurlijk kan men politici en vertegenwoordigers nog beter beschermen, maar er bestaat geen afdoende middel tegen aanslagen van dit soort wanhopige en vastbesloten mensen die niet zelden ook hun eigen dood op de koop toe nemen.

De moderne wereld moet rekening houden met deze daden, want niet elk toeval dat een aanslagpleger het wapen in de hand drukt, kan worden uitgevlakt. Dit geldt vooral voor alle terroristische handelingen die in naam van de islam (de vrede) worden gepleegd. De paranoia van de politiek blijft echter bestaan doordat er allerlei maatregelen of wetten worden aangekondigd en uitgevoerd om zulke daden in de toekomst te voorkomen. Als een moslim een moord heeft gepleegd, kan men alle moslims op afstand houden. Maar wanneer een student een moord begaat, moeten dan alle studenten het land worden uitgezet?

Wij hebben moeten leren dat ongelukken bij de hedendaagse wereld horen. De staat en de politiek moeten helaas leven met het risico van paranoïde geweld. Zij zelf moeten echter de kracht opbrengen om de paranoia van de macht voor dergelijk geweld te weerstaan. De paranoia van de macht en de onmacht gaan hand in hand.

Dit is de ingekorte tekst van de lezing die Schneider afgelopen donderdag hield in de cyclus 'Grenzkonflikte der Demokratie II' in Den Haag. In die cyclus spreekt op 29 oktober ook de mediawetenschapster Prof. dr. Angela Keppler over "Wie im Film? Gewalt und Politik in der medialen Gegenwart" (www.hum.leiden.edu/cti).