Italië is bijna Colombia, veel journalisten hebben er politiebescherming nodig

In Italië betekent persvrijheid de vrijheid van journalisten om niet te worden zwartgemaakt. Vandaar de betoging vandaag in Rome.

Twee vrouwen lezen de Italiaanse krant Il Giornale. Op de voorpagina een foto van Dino Boffo, die opstapte als hoofdredacteur van dagblad l’Avvenire na een rel die begon toen Boffo het morele gezag van premier Berlusconi aan de kaak stelde. De premier zette Boffo in de krant Il Giornale – eigendom van broer Paolo Berlusconi – vervolgens neer als een homoseksueel, veroordeeld tot het betalen van een boete wegens het lastigvallen van een vrouw. Reuters. Two women read the Il Giornale with a picture Dino Boffo, editor of Avvenire -- the Italian Bishops Conference's daily -- on its front page in downtown Milan September 3, 2009. Boffo, the editor of the leading Italian Catholic newspaper which criticised Prime Minister Silvio Berlusconi, quit on Thursday in a row that has seriously strained relations between the Vatican and the Italian government. Boffo resigned after Il Giornale, owned by Berlusconi's family, attacked him over his private life. REUTERS/Stefano Rellandini (ITALY POLITICS MEDIA RELIGION) REUTERS

Italiaanse journalist. Auteur van het verfilmde boek Gomorra, over de Napolitaanse maffia. Wegens doodsbedreigingen moet hij zich schuilhouden.

Wie tegenwoordig in Italië kritiek op de regering of de premier levert, weet wat hij kan terugverwachten – geen tegenspraak, maar een campagne om hem te schande te maken.

Hij weet dat de prijs die zal worden betaald als hij vragen blijft stellen en meningen blijft uiten, zijn eigen hachje zal zijn. Wie een kritisch standpunt inneemt, weet dat hij represailles kan verwachten. In het huidige Italië betekent persvrijheid dan ook de vrijheid om niet ons leven te laten verwoesten; de vrijheid om niet onze carrière te laten ruïneren.

Italië lijkt steeds meer een land waar de politiek is gereduceerd tot persoonlijke aanvallen. De hoofdredacteur van L’Avvenire, een krant die dicht bij het Vaticaan staat, werd na kritiek op de regering voor stiekeme homoseksueel uitgemaakt. La Repubblica wordt in Italië vervolgd omdat ze vragen stelt. Dit gebeurt in een land waarin men – om niet te had te worden aangepakt – nooit praat over de economische crisis en ook niet over de criminele organisaties.

Vandaag wordt in Rome een grote betoging gehouden gesteund door de Italiaanse nationale persfederatie – een merkwaardig protest voor een democratische staat. Italië lijkt steeds meer een geval apart in het hart van West-Europa.

Natuurlijk is de toestand in Italië niet te vergelijken met die in China, Cuba, Birma of Iran. Als wij betogen om de vrijheid van meningsuiting te verdedigen, wil dit veeleer zeggen dat we ons werk wensen te kunnen verrichten zonder persoonlijk te worden aangevallen. Het wil zeggen dat we afstand nemen van een alomvattend klimaat van dreiging.

Een burger die gewoon zijn werk doet door vragen te stellen, mag niet worden blootgesteld aan de chantage dat zijn privéleven door de modder wordt gehaald. En iemand die vragen stelt aan het hoofd van de regering, mag niet tot zwijgen gebracht of aangeklaagd worden alleen maar omdat hij legitieme vragen heeft gesteld.

Op dit moment vragen we ons dan ook af: is dit nu echt wat de centrum-rechtse kiezers willen? Vinden ze het terecht dat ministers niet alleen weigeren vragen te beantwoorden, maar ook de vragenstellers zwartmaken? Voelen ze zich op hun gemak als aanvallen op politieke tegenstanders dag in dag uit steunen op het gewroet in hun privéleven? Zien ze niet in dat de strijd tussen hen die vaak hooguit licht kritische berichten willen publiceren en hen die proberen hun de mond te snoeren, ongelijk is?

Zijn centrum-rechtse kiezers echt onverschillig voor de lawine die het mechaniek van de democratie bedelft? Hebben ze niet het gevoel dat we iets aan het verliezen zijn, dat het land aan bederf lijdt?

Het is geen morele kwestie. Een politicus is zijn land geen verantwoording over zijn privéleven schuldig. Maar een politicus die een openbaar ambt of een ministerspost bekleedt, is wel kwetsbaar voor chantage. En op dit vlak – of iemand zijn daden alleen in het belang van zijn land verricht – moet iedereen die een openbaar ambt bekleedt rekenschap over zijn leefwijze afleggen. Bovendien heeft Italië bepaalde kanten waardoor het kwetsbaarder is dan andere westerse democratische landen. In 2003 legde de Democratische senator en oud-presidentskandidaat John Kerry het Amerikaanse Congres een stuk voor getiteld ‘De nieuwe oorlog’. Daarin schatte hij dat de drie Italiaanse maffia’s – Cosa Nostra, Camorra en ’Ndrangheta – jaarlijks een berg geld ter waarde van 110 miljard dollar produceren.

Alleen in Colombia is het aantal mensen dat politiebescherming nodig, heeft hoger dan in Italië. En Italië bezit een Europees record: de afgelopen drie jaar zijn tweehonderd journalisten geïntimideerd of bedreigd en velen van hen hebben politiebescherming gekregen.

Ik deel dit lot met deze mensen, die bij het publiek merendeels onbekend zijn of worden doodgezwegen. En ik deel de ervaring met hen die weten hoe gevaarlijk laster en chantage kunnen zijn. Miguel Rodríguez Orejuela, de leider van het Cali-kartel (Colombiaanse drugsorganisatie, red.) heeft eens gezegd dat mensen alleen je bondgenoot zijn als je hen chanteert. Een democratie mag niet berusten op de macht van hen die zich van chantage bedienen.

Italië heeft in het verleden bewezen enorme beproevingen te kunnen overwinnen. In de Tweede Wereldoorlog was mijn eigen Napels de zwaarst gebombardeerde stad in het Middellandse-Zeegebied. Uit de armoede, verwoesting en burgeroorlog – uit dit alles – richtte het naoorlogse Italië zich weer op als vrij en democratisch land, en werd het een van de belangrijkste economische machten in de wereld.

En het mag waar zijn dat Italië altijd zijn schaduwkanten had en nooit ongevoelig voor corruptie was, maar het is het ook waar dat Italië in de strijd tussen partijen en politici altijd de benodigde eerbied voor de democratische spelregels behield, een eerbied die – tot nu toe – al zijn burgers beschermde.

Wie zoals ik heeft gezien hoe het in de wereld toegaat als de macht onbegrensd is, weet dat bepaalde barrières intact moeten blijven, omdat er anders geen garantie is dat een vloed van machtswillekeur niet binnen de kortste keren alles overspoelt. Maar ik geloof – of liever gezegd: ik hoop – dat wij onze geschillen zullen overwinnen en dat wij zullen laten zien dat wij in staat zijn om het beste te geven als gezamenlijke belangen en gedeelde beginselen op het spel staan.

Ik zou willen dat iedereen vandaag beseft wat de waarde van de persvrijheid is. In naam van Christian Poveda, onlangs vermoord in El Salvador voor een reportage over de maras, de gruwelijke Midden-Amerikaanse bende, die functioneert als scharnier in het drugsverkeer tussen Zuid- en Noord-Amerika. In naam van Anna Politkovskaja en van Natalie Estemirova, vermoord in Rusland voor hun journalistieke werk over Tsjetsjenië. In naam van Peppino Impastato, Giuseppe Fava en Giancarlo Siani, tot zwijgen gebracht door de maffia en de camorra, en na hun dood in diskrediet gebracht. Het is ontoelaatbaar dat wie zijn mening uit, dit betaalt met zijn ziel, zijn lichaam, zijn bloed. Dát is persvrijheid.

© 2009 Roberto Saviano, literair agentschap Roberto Santachiara.