'Ik ben heel erg geneigd door te draven'

Marianne Timmer begint aan haar laatste seizoen als schaatsster. De drievoudig olympisch kampioene doet er alles aan om in 2010 in Vancouver nog één keer een topprestatie te leveren.

Wanneer ze voor het laatst lekker heeft geschaatst? „Het afgelopen jaar heb ik diep weggestopt”, lacht Marianne Timmer bij de perspresentatie van de DSB-schaatsploeg in Wognum. „Ik ben nooit echt fit geweest. Blessures, griep, van het een in het ander. En het jaar ervoor kreeg ik een ontsteking op de Nederlandse kampioenschappen, een griepvirus vlak voor de wereldkampioenschappen sprint. Net op het moment dat ik in vorm kwam. Dat zijn dingen die je niet in de hand hebt. Maar in principe heb ik dat seizoen dus nog wel momenten gekend dat ik lekker heb geschaatst. Zolang is het ook weer niet geleden.”

Na twee olympische gouden medailles in 1998 in Nagano (1.000 en 1.500 meter) verraste Timmer in 2006 met een derde olympische titel op de 1.000 meter in Turijn. In de recordboeken kwam ze op gelijke hoogte met Ard Schenk en Yvonne van Gennip.

Maar daarna behaalde de vandaag 35 jaar geworden schaatsster in de huidige olympische cyclus naar Vancouver 2010 nog slechts twee nationale sprinttitels (2007 en 2008). Internationale winst was er niet bij. Afgelopen jaar bleek op haar favoriete 1.000 meter zelfs de nationale top onhaalbaar.

„Dit wordt mijn laatste seizoen”, bevestigt ze vier weken voor de eerste belangrijke wedstrijd, de Nederlandse afstandskampioenschappen in Heerenveen. „Qua beleving maakt dat geen verschil. Ik denk niet: laatste keer hier, laatste keer daar. Ik wil gewoon mooi afsluiten op de Spelen. Als ik er nu aan denk, krijg ik een heel apart gevoel. Ik heb het altijd heel intens beleefd, dat ik überhaupt aan zo’n evenement mag deelnemen. Het is me drie keer gelukt. Fantastisch om in je carrière drie keer goud te hebben. Als ik in vorm ben, moet ik best nog ver kunnen komen in Vancouver. Maar om in vorm te komen, dat blijft vaag.”

Is het lichaam na vijftien jaar topsport nog in staat tot ultieme prestaties? „Pijntjes heb ik niet, ik ben altijd zuinig geweest op mijn lichaam. Ik ben een technische schaatser, moet het niet hebben van keihard stampen of heel ruig doen. Bij mij is niets kapot. Rug niet versleten, mijn knieën zijn nog goed. Ik ben fit, al moet ik wel meer mijn rust pakken. Me niet laten opjutten, dat is vooral belangrijk. Ik ben altijd heel erg geneigd om door te draven. Vorig jaar stond ik op den duur zo stijf, dat er allemaal spierscheuringen gingen optreden. Dat moet dit jaar niet. Ik moet van de blessures af. Tot nu toe is het dit jaar goed gegaan.”

DSB-trainer Jac Orie – die met Margot Boer, Annette Gerritsen en Laurine van Riessen ook andere troeven op de 1.000 meter in zijn ploeg heeft - blijft overtuigd van haar mogelijkheden om terug te keren in de wereldtop. „Ik heb Marianne de laatste jaren conditioneel nog nooit zo sterk gezien als nu. Haar concurrenten zijn natuurlijk ook vooruit gegaan, maar ze zijn nog niet van haar af. In een olympisch jaar zie je een andere Timmer dan anders. Je merkt dat ze extremer wordt. Op sommige dingen reageert ze heftiger of juist rustiger. Weg uit het grijze gebied.”

De wereldkampioene sprint van 2004 in Nagano is de eerste om de woorden van haar trainer te relativeren. „Beter dan ooit, dat klinkt zo Amerikaans. Ik ben gewoon fit, maar niet extreem verbeterd of zo. Dat zie je in trainingen, in testen. De voorwaarden om hard te schaatsen zijn er, daar gaat het om.”

Dat ze in olympische seizoenen iets extra’s kan, valt niet te ontkennen. In de zomer van 1997 overwoog ze nog uit de sprintploeg van coach Peter Mueller te stappen, om in de winter naar een olympische dubbelslag te vliegen. Vier jaar later werd ze ondanks privéproblemen, door een financieel geschil met de huidige bondscoach Wopke de Vegt, nog knap vierde op de olympische kilometer in Salt Lake City. „Ik ben nog nooit zo kapot geweest”, kijkt ze terug op een van haar meest onderschatte prestaties. En in 2006 leverde diskwalificatie op de 500 meter precies de extra druppels adrenaline op om de olympische 1.000 meter te winnen.

In de jaren voor haar derde gouden medaille had Timmer nooit meer zo’n sterke slotronde laten zien, die in Turijn ineens weer wel mogelijk bleek. Een verklaring? „Ik weet het niet. Zo’n gevoel laat zich niet oproepen, ik had het toen van tevoren ook niet. Het kwartje viel op het juiste moment. Dat moet ik dit jaar weer hebben.”