De lezer schrijft over de taak van de krant

In ‘De lezer schrijft’ van 19 september trof mij de zin: „Het is onze taak de macht kritisch te volgen.” Dat roept bij een kritische lezer de vraag op wie u die taak heeft toebedeeld. Naar mijn mening heeft de krant maar één taak. Het nieuws te brengen zonder aanzien des persoons of instanties. Als daar een onthulling uitrolt die gevestigde machten niet aanstaat, soit. Maar een taak van kritisch volgen of zelfs controleren is nergens aan u opgedragen en heeft u – weinig democratisch – uitsluitend uzelf toebedeeld. Evenals de zogenaamde onderzoeksjournalistiek. Wichtigmacherei. Maar voor de lezers een voortdurend bewijs dat u de parlementaire democratie wantrouwt. Daardoor speelt u personen en groeperingen in de kaart die garen hopen te spinnen bij dat wantrouwen. Aan zelfbenoemde en door niemand te controleren controleurs heeft in elk geval deze lezer geen enkele behoefte.

A.L. de Werker

Den Haag

de krant antwoordt

De lezer heeft gelijk: het ‘controleren van de macht’ is geen taak die ons is toebedeeld. Het is wel zo gegroeid. Ons vak komt immers voort uit de Verlichting en hangt samen met de scheiding van kerk en staat, de emancipatie van de burger en het democratisch debat. „Een vrije pers engageert zich als het ware van nature met de idee van een vrije samenleving van goed geïnformeerde, mondige burgers”, aldus journalist Hendrik Jan Schoo in 2006. Journalisten zijn de oren en ogen van het publiek. Ze zijn ‘beroepsburgers’: zij hebben de tijd en de expertise om informatie bij verschillende bronnen te vergaren en die te ‘wegen’. De journalist wordt daarbij geleid door de algemene relevantie van het onderzoek, niet door persoonlijke interesse of belangen.

In een democratie leggen degenen met een openbaar ambt niet alleen verantwoording af binnen de politieke instellingen, maar ook in de publieke opinie, die zijn uitdrukking vindt in de media. „Die controle is niet alleen een recht, maar kan beschouwd worden als een plicht en verantwoordelijkheid van de pers in een democratische staat”, schreef de Europese Commissie in 1984.

Zonder goede pers geen goede democratie. Journalistieke onthullingen, niet zelden kwesties die het parlement of andere ‘officiële controleurs’ lieten liggen, dienen het publiek belang. Hét klassieke voorbeeld is Watergate: de onthulling van afluisterpraktijken begin jaren zeventig door journalisten Woodward en Bernstein, die uiteindelijk leidde tot het aftreden van president Nixon. Het controleren geldt ook voor de economische macht. Zie de artikelen in 2005 over boekhoudfraude bij Ahold, die de lezer in een vroeg stadium informeerden. En die ertoe leidden dat een lid van de raad van bestuur opstapte nadat uit onderzoek van de krant bleek dat de huisaccountant van Ahold het vertrouwen in hem had opgezegd.

De afgelopen jaren is veel gedebatteerd over de vraag of journalisten hun macht niet misbruiken. De relatie tussen de media en de politiek is „vergiftigd”, betoogde de Britse journalist John Lloyd in 2004. Door de toenemende competitie tussen de media is de beste manier om aandacht te trekken een zo hard mogelijke aanval op de politiek en individuele politici, ten koste van de feiten. Door de cultuur van wederzijds cynisme, de vooronderstelling dat de ander in principe verdacht is, kan het informeren van burgers – een journalistieke hoofdtaak zoals de lezer terecht stelt – op de achtergrond raken. Met zijn pleidooi voor slow journalism – neem de tijd om zaken echt uit te zoeken en zet het publieke belang steeds voorop – heeft Lloyd een punt. Dat spoort met het uitgangspunt van deze krant om vertegenwoordigers van een gevestigd belang met scepsis tegemoet te treden.

Als de journalistiek de macht controleert, wie controleert dan de controleurs? Dat doen we vooralsnog zelf, naar beste vermogen, door transparant te zijn en verantwoording af te leggen. Aan onszelf en aan de lezers. Die controleren ons pas echt, elke keer opnieuw, als zij de krant openslaan. Of overslaan.