AOW: het spel is op de wagen

Wat veel sceptische waarnemers al verwachtten, werd de afgelopen week bewaarheid. De sociale partners wisten geen overeenstemming te bereiken over een alternatief voor het kabinetsplan om de AOW-leeftijd op termijn op te trekken naar 67 jaar. Nu ligt de beslissing – zoals het in een niet door corporatistische schimmel aangetaste democratie behoort – in handen van de door gekozen volksvertegenwoordigers gecontroleerde regering. Het is belangrijk dat er snel duidelijkheid komt of en in welk tempo de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar gaat. Bovenal, opdat grote groepen veertigers en vijftigers daarmee rekening kunnen houden. Bijvoorbeeld door hun persoonlijke besparingen voor de oude dag op te voeren, zodat zij op eigen kosten desgewenst eerder met werken kunnen stoppen. Overigens is dit wenkend perspectief uitsluitend weggelegd voor wie voldoende verdienen om tijdens de actieve periode opzij te leggen wat nodig is om vervroegd te kunnen uittreden. Vooral lager opgeleiden en kleine zelfstandigen, die hun gehele leven met soms zwaar werk betrekkelijk weinig hebben verdiend en dus in verhouding weinig konden sparen, zullen na verhoging van de AOW-leeftijd langer moeten doorwerken.

Het overgrote deel van de vergrijsde achterban van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) acht de ingreep onaanvaardbaar. Mede, omdat mensen uit lage inkomensgroepen vaak al op jonge leeftijd zijn gaan werken, dus langer AOW-premie hebben betaald dan afgestudeerden, terwijl zij als gevolg van hun lagere levensverwachting gemiddeld vijf jaar korter een AOW-uitkering zullen ontvangen.

FNV-voorzitter Jongerius kreeg van de radicale vleugel in het FNV-bestuur onvoldoende mandaat om met vertegenwoordigers van de werkgevers een compromisoplossing te vinden.

De Partij voor de Vrijheid (PVV) en het voltallige linkerdeel van het politieke spectrum voelen mee met de FNV. De Socialistische Partij (SP) wijst verhoging van de AOW-leeftijd vierkant af. De Kamerfractie van de PvdA – in sommige opiniepeilingen inmiddels kleiner dan die van de SP – wil in ieder geval een uitzondering maken voor mensen die tijdens hun actieve periode ‘zwaar werk’ hebben gedaan. De sociaal-democraten zullen nog ontdekken dat dit een onbegaanbare uitweg is.

Differentiatie van de AOW-leeftijd naar de zwaarte van vroeger uitgeoefende beroepen is een onuitvoerbaar streven. Want welke beroepen mogen objectief gezien als zwaar gelden? Altijd wordt dan de stratenmaker of bouwvakker ten tonele gevoerd. Maar jongeren zullen zulke fysieke arbeid vaak nog niet als belastend ervaren. Moet daarvoor dan worden gecorrigeerd? En hebben hoofdarbeiders het niet moeilijk? Heel wat onderwijsgevenden voelen hun baan als loodzwaar. Met deze subjectieve beleving van werknemers kan al helemaal geen rekening worden gehouden. Over een lijst met zware beroepen valt dus niet eenvoudig overeenstemming te bereiken. Nog helemaal los van dit alles: er ontbreekt een sluitende registratie van alle door werknemers en zelfstandigen tijdens hun arbeidzame leven doorlopen beroepen.

Deels om deze problemen te ontlopen kiest GroenLinks (GL) voor een andere insteek. Deze partij wenst de AOW-leeftijd in de zeer verre toekomst (vanaf 2056!) te koppelen aan het moment waarop veertig jaar is gewerkt. De minimum AOW-leeftijd wordt echter 63 jaar. Jongeren die met 16 jaar van school komen kunnen dus niet vanaf hun 56ste een beroep op de AOW doen, maar zij moeten dus nog altijd 47 jaar (nu: 49 jaar) ploeteren, totdat zij staatspensioen gaan ontvangen. Dit plan discrimineert tegen individuen die onbetaald, maar maatschappelijk uiterst nuttig werk doen. Denk aan de opvoeding van kinderen, de mantelzorg voor hoogbejaarde ouders, en zo meer.

Partijen die de AOW-leeftijd op 65 willen houden, kunnen de sterke oploop van de pensioenuitgaven als gevolg van de vergrijzing alleen afremmen door de hoogte van de AOW-uitkering los te koppelen van de cao-lonen. Hierdoor raakt de koopkracht van senioren zonder aanvullend pensioen steeds verder achterop. Dit druist in tegen het instinct van links om de inkomensverschillen niet te laten toenemen.

Eén troost is er. Progressieve partijen hebben zich altijd sterk gemaakt voor fiscalisering van het staatspensioen. Dit wil zeggen dat de AOW niet via een afzonderlijke premie, maar uit de algemene middelen (dus sterker naar draagkracht) wordt gefinancierd. Het premiepercentage is al langer dan tien jaar bevroren. Hierdoor ontstaan toenemende tekorten in het Algemeen Ouderdomsfonds, die worden afgedekt door steeds grotere bijdragen ten laste van de rijksbegroting. Komend jaar bedraagt die rijksbijdrage al meer dan 10 miljard euro. Dat is gelijk aan een derde van de AOW-uitgaven. De fiscalisering van de AOW verloopt momenteel een stuk rapper dan tot nu toe door deskundigen werd geraamd.

In de aanloop naar de verkiezingen voor de Tweede Kamer in het najaar van 2006 verspeelde de PvdA bij het electoraat veel krediet met het voorstel voor een (uiterst bescheiden) extra heffing voor 65-plussers, die naast de AOW een aanvullend (pensioen)inkomen van ten minste 18.000 euro genieten (de ‘Bosbelasting’). Die maatregel – een heel klein stapje richting fiscalisering – is vanaf komend jaar van kracht. De fiscalisering verloopt evenwel veel sneller via de toenemende rijksbijdrage aan de financiering van de AOW. Dit linkse ideaal wordt sluipenderwijs verwezenlijkt, terwijl de komende politieke en maatschappelijke strijd over de AOW-leeftijd nog fel zal zijn.