Zinvol protest met schadelijk bijeffect

De Aktie Tomaat uit 1969 leidde tot een omwenteling. De vernieuwing van het toneel was nodig en goed, maar niet alleen positief. Er ging ook een traditie verloren die nu wordt gemist.

‘Die tomaten had ik gekocht bij groentehandel Kamman in de Beethovenstraat”, zegt voormalig activist Lien Heyting in een video op de tentoonstelling Theater na Tomaat. Met haar medestudent Ernst Katz gooide zij tijdens het toneelstuk De Storm op 9 oktober 1969 in de Amsterdamse Stadsschouwburg tomaten naar de spelers van de Nederlandse Comedie, omdat zij dat een ingedut, slecht toneelgezelschap vonden. Heyting – sedert 1974 redacteur van deze krant – hield het netjes: zij verwees met de actie naar de in onbruik geraakte traditie om wanprestaties op het toneel te belonen met rotte tomaten van de markt, maar zelf haalde zij haar kwaliteitstomaten bij de keurige Kamman in Oud-Zuid.

Met Heytings worp begon Aktie Tomaat: protestacties in de herfst van 1969 tegen het ‘burgerlijke’ toneel, die uitgroeiden tot een revolutie. Het toneel moest radicaal vernieuwen en het engagement omarmen. Aktie Tomaat blies het toenmalige toneelbestel op en baarde het huidige toneelbestel. Overal waar je kijkt in de toneelwereld zie je nazaten van Aktie Tomaat. De veertigste verjaardag van de toneelrevolutie wordt deze maand gevierd met de tentoonstelling Theater na Tomaat in het Amsterdams Historisch Museum en met de manifestatie Bye Bye Babyboom in de Amsterdamse schouwburg. Regisseur Erik Vos zegt op een video op de expositie: „Bij Tomaat stierf het toneel een klein beetje. En dat heeft ook wel een functie. Want er moest wel iets doodgaan in het toneel om een nieuwe geboorte te laten plaatsvinden.”

Verbazingwekkend blijft hoe snel en rigoureus Aktie Tomaat aansloeg. De Nederlandse Comedie, het voornaamste mikpunt, werd in 1971 opgeheven. En er begon meteen van alles te groeien, dankzij de steun van minister Marga Klompé (Cultuur) die in de maanden na Tomaat 10 miljoen gulden subsidie uittrok voor nieuwe initiatieven.

Vóór Tomaat ging alle toneelsubsidie naar elf grote gezelschappen, die voor vooral klassiek toneel in de schouwburgen zorgden. Na Tomaat kregen allerlei kleine, nieuwe collectieven opeens subsidie, om in alle vrijheid op zoek te gaan naar nieuwe vormen: Het Werkteater, De Appel, het Onafhankelijk Toneel, Dogtroep, et cetera.

Het Nederlandse theaterlandschap wordt nog altijd bepaald door deze verworvenheid: heel veel kleine groepen, deels collectieven, die klein, experimenteel doe-het-zelftheater maken in kleine zalen, in tenten, op locatie; in ieder geval buiten de schouwburg. De diversiteit is duizelingwekkend groot. Veel van wat wordt uitgetest in de kleine zaal, heeft inmiddels de schouwburg bereikt. Dit is wat Nederlands theater gunstig onderscheidt van het buitenland.

Niet alleen het toneelbestel, ook de theatrale vormen die toen zijn uitgevonden, zie je nog overal terug. Theater hoeft geen duidelijk verhaal meer te vertellen, maar kan bijvoorbeeld ook alleen een bepaalde sfeer scheppen die tot overpeinzing noodt, zoals in Stillen van Lotte van den Berg. Beeldend buitentheater zie je op het Terschellinger festival Oerol. Het ervaringstheater van bijvoorbeeld Dries Verhoeven, waarin de bezoeker individueel intiem wordt aangesproken, is ook in die dagen ontstaan. Spelen in tenten doen ze op De Parade.

Spelen met computers, video, geluidstechniek, zoals Ivo van Hove en Guy Cassiers dat doen, is toen bedacht. Video en zendmicrofoon hebben de afstand tussen toeschouwer en acteur geminimaliseerd. In Bezonken Rood van Guy Cassiers kreeg de toeschouwer het gevoel met zijn oor tegen de keel van de hoofdpersoon te liggen.

De plaats van de toeschouwer is sinds Aktie Tomaat ook veranderd. Het is niet alleen meer in het donker in een schouwburgstoel opkijken naar een speler op een podium, maar in een duinkom, op een matras, onder een brug, tussen de spelers. Toeschouwers kunnen meedoen. Zoals momenteel in Boe! van Jetse Batelaan, waarin sommige toeschouwers via een hoofdtelefoon met zender worden opgedragen om het podium op te lopen en mee te gaan spelen.

Bewust of onbewust, zelfs de theatermakers die in 1969 nog niet eens verwekt waren, maken momenteel theater dat stevig is verankerd in de avant-garde van de jaren zestig en zeventig. Ze kennen niets anders, ze weten niet beter. Toen regisseur Gerardjan Rijnders eens aan wat nieuwe makers vroeg waarom ze niet op ruwe wijze de macht overnamen van zijn generatie, zoals die generatie dat in 1969 had gedaan, zei een jonge regisseur: „Ik gooi geen tomaten naar mijn helden.”

De expositie in het Amsterdams Historisch Museum toont niet de schaduwkant van Aktie Tomaat. Het uitgangspunt van de expositie is: kijk welk een hoorn des overvloeds Aktie Tomaat ons heeft gegeven. Decennialang overheerste het gevoel: ‘het was misschien hard, maar het was wel nódig’. Maar sinds een jaar of tien wordt de tegenstem krachtiger. Revisionisten als regisseur Theu Boermans en schouwburgdirecteur Melle Daamen hekelen Aktie Tomaat als een grote vergissing.

In de documentaires Allemaal theater (2004) en De verdwenen personages van Han Bentz van den Berg (2002) wordt bijvoorbeeld zo’n revisionistisch beeld gegeven. De slachtoffers komen aan het woord. Acteur Willem Nijholt, die op het toneel stond toen de eerste tomaten vielen, is nog altijd woedend als hij het heeft over het „fascistisch geschreeuw” van „lelijke” mensen. Hij herinnert zich ook dat hij daadwerkelijk geraakt werd: „Pats!” Hoewel andere bronnen melden dat de tomaten tamelijk onopgemerkt op het toneel eindigden. Actrice Ellen Vogel, die het destijds moedig opnam voor haar Nederlandse Comedie, toont de angst van de acteurs die werden aangevallen. Ze beschrijft het lot van de helden die van hun voetstuk werden getrokken: Guus Oster werd kaal, Ank van den Moer raakte aan de drank, en Han Bentz van den Berg stierf. Kortom: „Die mensen zijn vermoord.”

Mocht het moord zijn geweest, dan was het moord met geduld: Bentz van den Berg stierf pas in 1976, Van der Moer in 1983, en Oster in 1984. Allen aan een natuurlijke oorzaak. Maar los van deze overdrijving: de Nederlandse Comedie ging ten onder, en verschillende acteurs konden daar moeilijk van herstellen.

De grofkorrelige zwart-witbeelden van de acties zien er inderdaad bedreigend en naar uit. Een rookbom van radencommunisten, mensen die niets met theater te maken hadden, tijdens de voorstelling Toller, en de hoge toon waarop de acteurs ter verantwoording werden geroepen: „Licht aan, discussie!” Een van de activisten begon zijn betoog met: „Onze hooggeleerde leider Mao Tse Tung...” Ellen Vogel in Allemaal Theater: „Die meute... ik heb de haat, de moordlust in de lucht gevoeld.”

Was het nodig? De actie kwam niet uit de lucht vallen. De onvrede over de in zichzelf gekeerde Comedie was breder dan alleen de kring der tomatisten. Allerlei experimenten waren al aan de gang, vóór Tomaat. De ware toneelrevolutie vond om te beginnen al in de jaren vijftig plaats, met de stukken van Beckett, Pinter, Ionesco. Dat personages niet meer tegen elkaar, maar langs elkaar heen praatten was een grote verandering. Ritsaert Ten Cate had al zijn vermaarde Mickery Theater in Loenersloot, waar de internationale avant-garde kwam. Bij Centrum werden nieuwe teksten opgevoerd, Studio van Kees van Iersel onderzocht nieuwe vormen, Annemarie Prins bracht fel politiek theater.

Toch gebeurde dit in de marge. Het was belangrijk, maar de gevestigde toneelorde bleef de dienst uitmaken. Wellicht was het theater ook zonder revolutie veranderd, maar langzamer en minder radicaal. Misschien had ons bestel dan nu meer geleken op het vergelijkbare Duitstalige theater, waar geen Aktie Tomaat plaats had. Dat kent bijvoorbeeld ook veel avant-gardistisch regisseurstoneel in de schouwburg, maar geen circuit van kleine zalen en kleine toneelensembles, noch ervaringstheater en theater op locatie.

‘Was het wel nodig?’ en ‘moest het zo hard?’ zijn uiteindelijk niet de grote vragen. Die luidt: wat hebben we verloren? Grote repertoiregezelschappen met een eigen ensemble raakten sinds Tomaat in diskrediet. Nu hebben we er eigenlijk nog maar één over: Toneelgroep Amsterdam, en die is met 21 spelers de helft zo groot als zijn voorganger, De Nederlandse Comedie.

In zijn rede ‘De staat van het theater’ gaf operaregisseur Pierre Audi zijn revisionistische visie op de erfenis van Tomaat. Volgens hem is de band met de traditie verbroken. Dat bedreigt de continuïteit; de stroom aan nieuwe Nederlandse toneelschrijvers droogt op, de doorstroming van regisseurs blokkeert. „Er is steeds minder interesse om klassieke en nieuwe Nederlandse theaterteksten de dominante rol te gunnen die ze in een gezond theaterklimaat zouden moeten krijgen. Het ontbreekt ons daarom nu aan toneelschrijvers. Dat schaadt ons theater.”

Vorig seizoen kon de jury van het Theaterfestival met moeite vijf goede toneelstukken uit de schouwburg voor de selectie vinden. De goede schouwburgregisseurs zijn op één hand te tellen, de opvolging is nog niet in zicht. Regisseurs spelen wel klassiek repertoire, maar voornamelijk in radicale bewerkingen. Ze reageren meer op een klassieke tekst dan dat ze deze opvoeren. Dat is leuk voor de fijnproevers die veel zien. Maar de gewone bezoeker vraagt zich al snel af wat dat gekke Turkse punkmeisje op het podium te maken heeft met de Hedda Gabler van Ibsen. Reageren op een traditie heeft alleen zin als die traditie nog leeft.

Dat is niet alleen een artistiek probleem, maar vooral een kijkcijferprobleem. Sinds Tomaat heeft het theater zijn band met het grote publiek verloren. Het publiek loopt weg. Eerst uit de schouwburg, nu ook uit de kleine zalen. Volgens de Commissie-d’Ancona, die in 2006 een rapport uitbracht over de problemen in het theater, ligt de nadruk te veel op vernieuwende, dwarse, kleinschalige kunst en te weinig op toegankelijke, grootschalige en conventionele kunst. Bovendien, zo stelt de commissie, is het aanbod zo versnipperd dat de argeloze belangstellende meteen de weg kwijtraakt.

Een kleine restauratie is nodig, en die is ook al aan de gang. Het ministerie van OCW tracht het bestel te hervormen door invoering van de ‘basisinfrastructuur’ (een term die zo uit een Tomaat-pamflet zou kunnen komen). Acht grote gezelschappen krijgen de taak om stad en ommelanden van repertoiretoneel te voorzien, ongeveer net als vóór Tomaat.

Anja Krans van het Theaterinstituut, een van de samenstellers van de tentoonstelling Theater na Tomaat, noemt de nieuwe Rabozaal van de Amsterdamse schouwburg als voorlopig symbolisch eindpunt. De oude zaal met het lijsttoneel heeft de stormen doorstaan. En daarachter is een nieuwe zaal gebouwd, een zogenaamde zwarte doos, waar allerlei alternatieve publieksopstellingen en vooruitstrevende decors mogelijk zijn. In de Amsterdamse Stadsschouwburg, ooit het slagveld der tomatisten, is dus een vreedzame coëxistentie van vernieuwing en traditie mogelijk. Met sponsorgeld van de kapitalisten.

Tentoonstelling ‘Theater na tomaat, veertig jaar theatervernieuwing in Nederland’ 5 okt t/m 7 feb Amsterdams Historisch Museum. Inl: www.tin.nl. en www.ahm.nl.Manifestatie ‘Bye Bye Babyboom’ 10 okt Amsterdamse schouwburg. Inl: www.stadsschouwburgamsterdam.nl.