Woorden breken met tegenzin

Schrijver en beeldend kunstenaar Armando is onlangs tachtig jaar geworden. En hij bleef zichzelf ook in zijn poëzie trouw: ‘Ik ageer niet tegen wat ik laat zien. Ik ben een echte Beobachter.’

Armando is onlangs tachtig geworden maar dat weerhield hem er niet van veel vitaliteit tentoon te spreiden in zijn bundel Gedichten 2009 (Augustus €22,50), schrijft Arie van den Berg. n Zie pagina 11

Armando: Gedichten 2009. Augustus, 108 blz., € 22,50

Lapidair is de titel van Armando’s nieuwe bundel, en even lapidair zijn de honderd verzen die Gedichten 2009 omvat. Na de Verzamelde gedichten (niet zijn debuut, dat ook die titel had, maar de uitgave uit 1999), leek een verdere verstening van thematiek en taal onmogelijk, maar Armando koos opnieuw voor graniet. Gedichten 2009 is een Stonehenge in het Nederlandse poëzielandschap.

Tachtig jaar werd de schrijver en beeldend kunstenaar onlangs. En die leeftijd valt niet te rijmen met de vitaliteit die zijn nieuwste gedichten uitstralen. Niet de vitaliteit van het levensgeluk, maar die van verwondering, over zo veel leven aan de afgrond. ‘Mooi’ heet een gedicht dat die verbazing treffend verwoordt:

Wat mooi, zegt de mens, een vogel in doodsnood,

let op het gevecht der struiken,

zie de halsstarrige duisternis,

hoor het zuchten van de storm:

mooi zegt de mens.

De mens kan staan, kan ongehoorzaam denken,

hij zegt dat de hemel hol is,

dat de aarde zich een weg baant naar de afgrond.

De thematiek van Gedichten 2009 is, als vanouds bij Armando, de universele mythe, die zwart is. Er dreigt nog altijd oorlog in deze verzen. Grauw, maar wel zwart, want de dreiging vergrijst niet. Zwart en rood waren bundels lang traditionele kleuren in Armando’s werk. In zijn nieuwe poëzie is er ‘het groene midden’, is men ‘op zoek naar gele verten’, en zijn er ‘het blauw van de uniformen’ en ‘donkerrode gebaren’. Maar zwart is opnieuw de vlag, en zwart is de bruiloft. ‘De blozende dag vertoont zich in een / kleurrijke mantel,’ stellen de openingsregels van ‘Dag en nacht’. Maar optimisme is misplaatst, want ‘op ooghoogte hangen de lichamen te drogen,/ ze worden ongeduldig, ze worden/ onbesuisd.// De nacht maakt de houten gaten zwart…’

Wie hoop zoekt, vindt die niet bij Armando. ‘Je denkt toch niet dat sneeuw nog smelt,’ is een kenmerkende regel voor zijn grimmige levensblik. En tientallen van de honderd korte verstitels dragen die uit: Wanhoop, Integendeel, Nooit meer, Woedend, Beklemming, Puin, Folter, enzovoorts. Niet elk gedicht raakt meteen je ziel, maar als reeks hebben de verzen een magische werking. Er zijn ook bezwerende hoogtepunten, zoals ‘De paal’:

In het groene midden staat een paal,

de paal wacht al dagen op de vlag.

Zal de paal een aanloop nemen?

De paal staat in het midden,

hij wenkt.

Wat wil de paal?

Moet de paal gehoorzaamd worden?

Maar dit soort monkelende humor is zeldzaam in Gedichten 2009. Poëzie is voor Armando ook niet het domein waar humor thuishoort. Kreeg het anekdotische in de jaren zestig nog een plek in zijn readymades, sinds zijn tweede bundel Hemel en aarde (1971) richtte zijn poëzie zich op de bezwerende macht en scheppingskracht van het mythische. ‘De schepping’, ‘Het gevecht’ en ‘De ondergang’ zijn de veelzeggende reekstitels van Hemel en aarde. Daarna volgden De denkende, denkende doden (1973), het gevecht, een gedicht (1976), Tucht (1980), De Veldtocht (1989) en De naam in een kamer (1998). In deze bundels trachtte Armando in kaalgeslagen, gebeeldhouwde taal de thematiek van Hemel en aarde uit te werken en ritueel te fixeren. En mettertijd kreeg zijn poëzie bezwerende proporties, met een navenant verheven idioom. ‘Slachtoffer en dader’ zijn daarin verwisselbaar. Verklaren en veroordelen zijn geen dichterstaak. De werkelijkheid spreekt voor zichzelf, hoe raadselachtig ook, of wanstaltig.

Al in 1964 typeerde Armando in het tijdschrift Gard Sivik zijn credo: ‘Niet de realiteit bemoraliseren of interpreteren (verkunsten), maar intensiveren… Werkmethode: isoleren, annexeren. Dus: authenticiteit. Niet van de maker, maar van de informatie.’ In een gesprek met Wam de Moor over het schuldig landschap van kamp Amersfoort hernam hij in 1992 dit standpunt. ‘Dit is de Plek, nietwaar. Hier is het: Offer en Dader, die wij zijn. Ach er groeit weer gras […]. Een misverstand is te denken dat ik de wereld wil verbeteren, ik ageer niet tegen wat ik laat zien. Ik laat het alleen zien. Ik ben een echte Beobachter.’

Wie Armando’s nieuwe bundel naast zijn Verzamelde gedichten leest, ziet dat zijn credo geldig bleef en dat zijn scheppende kracht niet is afgenomen. Gedichten 2009 is losser van compositie, maar ook dat losse verband intrigeert, en is bij tijden imponerend. De stem van de dichter is ongebroken – al klinkt soms tussen de regels de berusting van de ouderdom.

Armando is een verbastering van de oorspronkelijke naam Herman, maar analytische Neerlandisten vertaalden het pseudoniem als ‘zich wapenend’.Van wapening is in de nieuwste gedichten echter geen sprake meer. ‘Ik trek me terug,’ luidt de openingsregel van het gedicht ‘Naar binnen’ en de bundel eindigt met de regel ‘Zie, ze houden zich voorzichtig vast’. Toch krijg ik niet het gevoel dat deze bundel een milde afsluiting van een oeuvre is. Daarvoor zijn de verzen te vitaal en vlijmend. ‘Het blijkt dat woorden halsstarrig zijn,’ staat in ‘Spraak’, ‘woorden breken met tegenzin, begeven zich/ naar de monden der afvalligen.// Langzaam komen de woorden tevoorschijn,/ wachtende wachtende drommen.’ Er is dus nog taal op komst.

Ter ere van Armando’s verjaardag verschenen ook de prozaboeken ‘Eindelijk’ en ‘Berlijn’ bij Augustus.