Whodunnit? I-did-it!

Aan de slordigheden, spreekverboden, rookgordijnen en mediaoorlogen rondom de Deventer moordzaak voegt Désanne van Brederode nu een roman toe. Werkt dat?

Désanne van Brederode: Door mijn schuld. Querido, 360 blz. € 22,95

Ernest Louwes: Schuldig. Mijn verhaal over de Deventer moordzaak. Kosmos, 189 blz. € 16,95

Morgen verzamelt zich om 13.15 uur een groep lezers in de Bagijnenstraat te Deventer, alwaar een ‘misdadige stadswandeling’ zal beginnen. ‘Een spannende combinatie tussen verleden, fictie, werkelijkheid en het heden’, meldt de organisatie. Oud-stadsdichter Jos Paardekooper zal de belangstellenden leiden langs befaamde plaatsen delict uit de Deventer historie, maar ook langs enkele locaties uit Deventer thrillers.

Een en ander maakt deel uit van het Deventer Thriller festival, dat voor het eerst wordt gehouden. Met een duidelijk speerpunt: aan het eind van de festivaldag wordt een nieuwe roman gepresenteerd van Almar Otten, er is ’s ochtends een inleiding van de film Der amerikanische Freund door Almar Otten, ’s middags schuiven Tomas Ross en Lieneke Dijkzeul aan voor een forumdiscussie met Almar Otten en de stadswandeling zal met name voeren langs plaatsen uit de boeken van Almar Otten. Zijn thrillers verschijnen onder de titel ‘De Deventer Moordzaken’. Zo lift de auteur mee op de publiciteit over de moord op Jacqueline Wittenberg, dit weekend tien jaar en een week geleden.

Geen moord in de recente Nederlandse geschiedenis heeft zo veel én tegelijkertijd zo weinig tot de verbeelding gesproken. Zo veel tot die van de tientallen mensen die zeker meenden te weten dat de voor de moord veroordeelde Ernest Louwes onschuldig was – of juist onterecht als martelaar van juridische dwalingen wordt vereerd. Die twee partijen doen de argumenten van de ander consequent af als losgeslagen fantasieën.

Zo weinig, echter, lokte de zaak uit bij mensen die van die verbeelding hun beroep hebben gemaakt: schrijvers. Het peloton Nederlandse thrillerauteurs heeft de zaak-Louwes tot nu toe links laten liggen – ook Almar Otten schreef er niet over. Pas deze week verscheen een eerste roman en dan nog wel uit de hoek van de reguliere literatuur: Désanne van Brederodes Door mijn schuld. In het boek doet een zekere Gunnar de Wit zijn verhaal, nadat hij heeft vastgezeten voor een moord. Algemeen wordt zijn veroordeling gezien als een juridische dwaling, maar hij weet beter: ‘Dit wordt geen whodunnit. Dit is een I-did-it’.

Van Brederode wil onderzoeken wat er gebeurt in het hoofd van een man die tegen iedereen volhoudt onschuldig veroordeeld te zijn, terwijl hij wéét dat hij wel schuldig is. In de hysterische polarisatie rondom de Deventer moordzaak is dat uitgangspunt alleen al een provocatie. Want moet je zo’n gedachte-experiment niet uitleggen als steun voor de veroordeling van Louwes? Als een poging om argumenten te verzamelen tegen zijn onschuld?

Ongetwijfeld ook om zich dienaangaande enigszins in te dekken heeft Van Brederode in haar roman ten minste zoveel verschillen als overeenkomsten met de Deventer zaak gestopt. Er is bij haar sprake van een man van onbesproken gedrag, een grote erfenis, onenigheid over bloedsporen, een ándere verdachte (zij het geen klusjesman, maar een schoonmaker) en een door een buitenstaander aangezwengelde mediacampagne om het vermeende onrecht te keren: de rol van opiniepeiler Maurice de Hond wordt bij haar vervuld door de fictieve schrijver Constant Verwoerd. Maar de verschillen zijn minstens even groot: Van Brederodes verteller is geen accountant maar een meubelverkoper uit een gezin van intellectuelen, zijn slachtoffer is geen rijke weduwe maar een rijke vriend, hij steekt niet maar gooit een steen.

De roman van Van Brederode is interessant in samenhang met Schuldig, het op 22 april dit jaar, de dag van zijn vrijlating, verschenen boek van Ernest Louwes over zijn leven nadat op 25 september 1999 het lichaam van Wittenberg werd gevonden. Afhankelijk van je standpunt in de Deventer twisten kun je het zien als de non-fictie bij de fictie van Van Brederode, of als meer fictie – de fictie van een moordenaar. Het moge duidelijk zijn dat het boek van Louwes geen I-did-it is, maar een I-did-not-do-it.

Overigens maken geen van beide boeken het de lezer erg gemakkelijk. Bij Door mijn schuld ligt dat aan de oeverloosheid die het werk van Van Brederode toch al kenmerkt. Ze waaiert eindeloos uit bij het vertellen van het verhaal: naar talkshows op televisie, intellectuelen uit Amsterdam-Zuid, Zweden, mystiek, existentiële eenzaamheid, bevrijdingstheologie, populisme en het multiculturele drama zonder dat het echt scherpzinnig wil worden. Ook interessante thema’s die ze aansnijdt (schaamte, intellectualisme als verplichting) sneeuwen daardoor onder. Bij alle elementen in het verhaal kun je je wel voorstellen dat ze in de roman zijn beland – overal zit een idee achter en veel grijpt op een bepaalde manier in elkaar – maar er zijn ook redenen om te schrappen over het hoofd gezien. Zelfs bekruipt je iets vóór de helft, wanneer een zeer sterk beschreven politieverhoor van Gunnar de Wit begint, het gevoel dat met het oog op tempo en spanning de voorgaande 140 bladzijden waarschijnlijk het best in hun geheel verwijderd hadden kunnen worden.

Schuldig maakt het de lezer op geheel andere wijze lastig. Louwes is geen geoefend auteur. Dat leidt tot verschrijvingen die iets kolderieks hebben, zoals die waarbij hij deskundigen bedankt die ‘hun professionele integriteit op het spel wilden zetten om in de rechtzaal vraagtekens te plaatsen bij vele missers van politie en justitie.’ Ongetwijfeld bedoelt Louwes hier níét dat de betrokkenen om zijnentwil hebben gelogen, maar dat staat er wel.

Lastiger is de onnoemelijke hoeveelheid details die hij over de lezer uitstort. Die hebben voor de Deventer-watcher allemaal hun betekenis, maar een argeloze lezer raakt al snel de weg kwijt in de beschrijving van een autorit langs een omweg die meestal sneller is, maar nu niet omdat een breedtetransport een nooit op de radio omgeroepen file veroorzaakt – later werd er wel een file omgeroepen, maar dat was een andere – en een grote vrachtwagen die maakt dat Louwes de afslag net mist en dan nog maar een stukje doorrijdt.

Het duizelt je, pas later begrijp je dat de vreemde route deel uitmaakt van Louwes’ alibi. Zoals ook alle andere kleinigheden in het boek (hagelslag op brood!) een weerwoord blijken te zijn op beschuldigingen van justitie. Dat heeft soms een tegengesteld effect: zo omslachtig vertellen over hoe je naar huis bent gereden, klinkt als een smoes, waar in dit geval dadelijk uit volgt dat Louwes de moord dus wel gepleegd zal hebben.

Dat is een drogreden, maar een drogreden die typerend is voor de wijze waarop je het boek van Louwes leest: als een detective, bezig in een boek dat de waarheid over de moord zou moeten bevatten. Een boek dat je de illusie geeft slimmer te kunnen zijn dan alle anderen die zich op de schuldvraag hebben stukgebeten. Dus zet je een streepje wanneer Louwes melding maakt van het feit dat er eigenlijk nauwelijks nabestaanden van het slachtoffer zijn. Rechtvaardigt hij hier de moord?

Die impuls, het verlangen om de sleutel tot de waarheid te ontdekken waar iedereen gefaald heeft, maakt het lezen van Louwes’ boek ondanks alle hindernissen fascinerend. Het is ook precies de reden waarom zo veel mensen zich hebben vastgebeten in de zaak. Die wordt [zie kader] gedomineerd door justitiële slordigheden, wisselende getuigenissen, rookgordijnen, spreekverboden, verdwijnende en verschijnende bewijzen, per kort geding afgedwongen grafschennis, partijdige journalistiek, ongefundeerde beschuldigingen, warrige verklaringen en een mediaoorlog die het moeilijk maakt om door de bomen het bos nog te zien.

Interessanter dan de schuldvraag – voor zover die niet al afdoende door de rechter is beantwoord – is de obsessionele collectieve omgang met de zaak, het verlangen om de puzzelstukjes aaneen te leggen en de wereld zo weer begrijpelijk te maken. De essayist Brian Boyd betoogt in zijn recente The Origin of Stories (besproken in Boeken, 18.08.09) hoe we elkaar verhalen vertellen om de patronen in het menselijk gedrag te ontdekken en zo problemen in de toekomst te voorzien. Dat is precies wat de twee partijen in de Deventer moordzaak doen. Ze bestoken elkaar met verhalen, met hun ficties, in de hoop er één te vinden die voor een bevredigende waarheid kan doorgaan.

Dat is nodig omdat een wrede moord als die in Deventer voor ons gevoel moet zijn gepleegd door iemand die in niets op ons lijkt. Dus moet Ernest Louwes een psychopaat zijn (kijk maar, hij gaat door het lint als hij wordt veroordeeld) of moet een ándere psychopaat het hebben gedaan (die klusjesman was altijd labiel). Als er geen uiterlijke tekenen zijn die verraden wie onder ons de moordenaars zijn, hoe kunnen we het vege lijf dan redden – daarvoor hoef je geen darwinist als Boyd te zijn. Met die collectieve gedachte belanden we weer bij de roman van Van Brederode. Want ook die lees je met de verwachting dat je uitsluitsel krijgt, dat je aan het eind weet waarom Gunnar de Wit een steen naar het hoofd van zijn vriend gooide. Ergens denk je dat ook deze verzonnen figuur zich zal verraden, dat er iets groters achter zijn moordenaarschap schuilt.

En ook daar treden dezelfde sociale mechanismen op, waarbij de omgeving van De Wit – en zeker zijn gezin – maar niet kan geloven dat deze vriendelijke, bescheiden, aardige en intelligente man een moordenaar kan zijn. Waarbij hijzelf uiteindelijk constateert dat men hem niet eens meer gelooft als hij probeert te zeggen dat hij wel een moordenaar is. Daarmee hangt samen dat de hoofdpersoon zich zijn hele leven staande heeft gehouden door verhalen over zichzelf te vertellen die net niet waar waren – in zekere zin is zijn tragiek dat hij te zeer in staat is mensen in hem te laten geloven.

Dat de aard van de mens uiteindelijk onkenbaar is, is zo de portee van Van Brederodes roman, een boodschap waarvan de religieuze connotatie niet vreemd is aan haar werk. Maar ook dat sociale druk – en zeker wanneer die van de massamedia komt – het bijna onmogelijk maakt om contact met jezelf te houden, om je zelfkennis en je identiteit te verdedigen tegen de oordelen en de druk van buitenaf.

Dat gegeven maakt ook het boek van Ernest Louwes aangrijpend. De dolle paniek die hem sinds zijn arrestatie moet hebben bevangen lijkt zich met alle beschuldigingen en steunbetuigingen alleen maar uitgebreid te hebben. Die paniek uit zich in de structuurloosheid, de karrevracht aan kleinigheden die hij op zijn lezers afvuurt: bij elke justitiële slordigheid, bij elk halfslachtig onderzoek hoor je de auteur denken: misschien dat dít de doorslag geeft, dat ze me nú dan eindelijk geloven. En omdat de hele wereld met hem meekijkt, kan hij niet meer voor- of achteruit. Omringd door voor- en tegenstanders, door oprechte opportunisten en profiteurs: hij is de gevangene van zijn verhaal geworden. Dat is pijnlijk om te lezen, helemaal los van de vraag of hij dat allemaal zelf in gang heeft gezet op een herfstavond aan de Zwolseweg in Deventer.

Wilt u reageren: boeken@nrc.nl