Wetenschappelijk proza

In haar Jan Hanlo-lezing (CS 18 sept.) houdt Marita Mathijsen een warm en amusant pleidooi voor toegankelijker wetenschappelijk proza. Door retoriek, metaforiek en stijl voor te stellen als opsmuk en franje, geeft ze de kampioenen van het onleesbare proza een verdediging. Tot op zekere hoogte hebben ze gelijk: wetenschappers communiceren onder elkaar liefst zo efficiënt mogelijk.

Bijvoorbeeld in de redeneringen waarmee de onderzoeker duidelijk maakt hoe en waarom zijn experiment een bijdrage vormt aan de stand van het onderzoek. Dat vergt een formuleer- en redeneervaardigheid die beginnende onderzoekers zich eigen moeten maken. Dat begint met het na-apen van compositie- en stijltechnieken.

Zo’n beginner verliest zich bijvoorbeeld in retorische kaalheid (uitsluitend feiten, geen verbanden en redeneringen) waar expliciet redeneren noodzakelijk is. En in abstraherende en verduisterende stijltechnieken (lijdende vorm, vermijding van ‘ik’, omtrekkende formuleringen en jargongebruik tot in het absurde) waar helderheid gewenst is.

Toppublicaties in wetenschappelijke tijdschriften met een hoge impactfactor daarentegen zijn het resultaat van uiterst complex en weloverwogen onderzoek-, denk-, redeneer- en schrijfwerk. Dat ze voor niet-ingewijden onleesbaar zijn, is het logische gevolg van zeer specifieke stilistische en retorische keuzes.

Mathijsens pleidooi heeft minder aan een esthetisch onderbouwing dan aan een maatschappelijke: wetenschap zou breder gedeeld moeten worden. En een pragmatische: een samenleving kan zich makkelijker als kenniseconomie handhaven als velen zich op de hoogte kunnen houden van de bevindingen aan de grenzen van het weten. Onderzoekers belonen voor dergelijke activiteiten zou daaraan kunnen bijdragen.

Wetsinge