Vrolijk worden van mistroostige Russische poëzie

Klassiek Rotterdams Philharmonisch Orkest en Rundfunkchor Berlin o.l.v. Yannick Nézet-Séguin. Werlem vam Beethoven en Kurtág. Gehoord: 1/10 De Doelen, Rotterdam. Herh: 2/10 t/m 4/10, Inl: www.rpho.nl * * *

De opening van de vernieuwde Grote Zaal van De Doelen wordt nog eens Beethoveniaans overgedaan, met onder meer een uitvoering van de toepasselijke ouverture Die weihe des Hauses, op. 124 , ooit gecomponeerd voor de opening van een Weens theater, en de lofzang aller lofzangen, Beethovens Negende symfonie, op. 125.

Kenmerkend voor de dirigeerstijl van Nézet-Séguin is de combinatie van grenzeloos enthousiasme en lenige vitaliteit. Die leidt in dit geval tot een krachtige en strijdlustige Beethoven, met soms weliswaar wat grove of zelfs verwaarloosde details, maar ook verrassende contrasten. Voor een gelegenheidswerk als Die weihe des Hauses volstaat dat. Maar in de Negende symfonie hadden meer nuances mogen klinken. De eerste twee delen klonken wat eenzijdig bruusk. Wellicht speelde de nieuwe akoestiek van Grote Zaal daarbij een rol: het leek soms of dirigent en orkest aan de nieuwe directheid moesten wennen, of zich nog niet volledig bewust zijn van hoe genadeloos álles verderop in de zaal te horen is. In het derde deel, Adagio molto e cantabile werden de mogelijkheden al wat meer benut, met een betoverend openbloeiend begin dat onder meer gevolgd werd door intieme houtblazersmomenten die niet alleen prachtig gespeeld werden, maar in de zaal ook zo dichtbij en intiem klonken als kamermuziek.

In het slotdeel, met de beroemde Ode an die Freude op tekst van Schiller, gaf Nézet-Séguin op natuurlijke wijze vorm aan de grilligheid van de muziek. Het Berliner Rundfunkchor straalde in de koordelen van de grootse climax.

Even eerder had het koor al indruk gemaakt in György Kurtágs Songs of Sorrow and Despair, op. 18 (1980-1994). Omdat eigenlijk níets zich met Beethovens Negende laat combineren, was blijkbaar maar voor een groot contrast gekozen: gevat in geladen stiltes, dalende lijnen en diepe zuchten klonken zes Russische gedichten, het een nog depressiever en mistroostiger dan het ander. Maar Kurtágs muzikale verwerking ervan is zo sterk, liefdevol en enig in zijn soort, dat je er stiekem toch vrolijk van wordt.