Voor altijd de lui van 'Hound Dog'

Jerry Leiber en Mike Stoller (met David Ritz): Hound Dog. The Leiber and Stoller Autobiography. Simon & Schuster. 322 blz. € 25,-

Ze moesten toegeven dat Elvis Presley een goede zanger was. En dat hij gevoel had voor zwarte muziek, konden ze evenmin ontkennen. Maar toch hadden Jerry Leiber en Mike Stoller gemengde gevoelens over de manier waarop de nieuwe ontdekking hun nummer ‘Hound Dog’ op de plaat had gezet. Ze hadden het een paar jaar eerder geschreven voor de in alle opzichten omvangrijke zangeres Big Mama Thornton. Zij had het gezongen zoals het volgens hen moest klinken – ruig en rechtstreeks uit de onderbuik. Daar kon de jonge Elvis in hun oren niet tegenop. Hij zong zelfs een gekuiste tekst. Het dubbelzinnige ‘you can wag your tail, but I ain’t gonna feed you no more’ was zonder hun toestemming veranderd in: ‘you ain’t never caught a rabbit, and you ain’t no friend of mine’. Wat dat konijn ermee te maken had, hebben ze tot op de dag van vandaag nooit begrepen.

Maar zoals de gerenommeerde platenbaas Nesuhi Ertegun zei: ‘Weet u, heren, het maakt niet uit hoe veel prachtige songs u schrijft of hoeveel andere geweldige prestaties u nog zult leveren – u zult altijd bekend blijven als de lui die ‘Hound Dog’ schreven.’

Die uitspraak vormt dan ook het motto van de autobiografie van Jerry Leiber en Mike Stoller die tevens de titel aan hun grootste hit heeft ontleend. Hun co-auteur David Ritz noteerde hun los uit de pols vertelde herinneringen en knipte die in kortere en langere stukken. Zo komen ze om de beurt aan het woord en vullen elkaar voortdurend aan. Die gewiekste montage geeft het boek veel vaart. De lezer kan zich moeiteloos door beider levensverhalen laten meeslepen – van hun eenvoudige afkomst tot en met het comfort van hun huidige levensavond (want wie meer dan honderd hits heeft geschreven, kan tot in lengte van jaren rekenen op een gestage stroom van inkomsten).

‘Hound Dog’ is vooral het verhaal van twee Joodse jongens die verslingerd waren aan zwarte muziek. Ze ontmoetten elkaar op hun zeventiende, in 1950, en schreven op de blues gebaseerde nummers voor zwarte artiesten. En met succes, al bleef dat in die dagen beperkt tot een zwart publiek. Op de hitlijsten stonden in die gesegregeerde tijd alleen nummers van blanke zangers en musici. De race records, zoals die toen heetten, hadden hun eigen hitparade waarvan zelden of nooit iets doordrong tot het blanke massapubliek. Totdat jonge blanke idolen als Elvis Presley, eind jaren vijftig, de energie voor hun rock & roll voornamelijk uit die zwarte muziek bleken te halen. Met als gevolg dat Leiber en Stoller opeens in de mainstream van de teenagermuziek belandden. Zonder dat ze daar zelf hun best voor deden, verschenen er rockversies van nummers als ‘Kansas City’ die ze al jaren eerder hadden geschreven

Elvis liet vragen of ze nu ook nieuw materiaal voor hem wilden maken, en dat deden ze. Eén keer zelfs onder dwang, toen de jonge liedjesschrijvers te lang niets van zich lieten horen. Als beginnende twintigers konden ze nu eenmaal weinig weerstand bieden aan het uitgaansleven van New York. Een employé van het Presley-imperium sloot hen toen in een hotelkamer op en blokkeerde zelf, in een sofa gezeten, de deur. Die ene middag leverde vier nummers op, waarvan ‘Jailhouse Rock’ het hoogtepunt vormde.

Zo bezien hadden tekstschrijver Leiber en componist Stoller natuurlijk de lijfschrijvers van Elvis Presley moeten blijven. Dat de samenwerking niettemin al gauw doodliep, schrijven ze toe aan de macht van Presley’s manager Colonel Tom Parker die zijn protegé als een marionet bestuurde. Eerst werd hen de mantel uitgeveegd toen ze Elvis rechtstreeks een nieuw nummer in handen hadden gegeven (dat had via Parker gemoeten) en daarna moest de grootste rockheld aller tijden zijn hitmakers bedremmeld vragen de kamer te verlaten: ‘De kolonel kwam net langs en hij wil hier niemand anders zien dan mij en de jongens’. Buiten zijn eigen hofhouding mocht Elvis er geen andere vriendschappen op nahouden.

Intussen wisten Leiber en Stoller uitstekend te profiteren van het feit dat de lucratieve jongerenmarkt vrijwel volledig kleurenblind was geworden. Met hits als ‘Poison Ivy’, ‘Yakety Yak’, ‘Young Blood’ (The Coasters), ‘There Goes My Baby’ (The Drifters) en ‘Stand By Me’ (Ben E. King), waarin zwarte en blanke popmuziek doeltreffend werden vermengd, maakte het duo nummers die net iets volwassener waren dan de destijds toonaangevende teenagerliedjes vol pril liefdesverdriet. Toen ze halverwege de jaren zestig een beetje op het jongerenrepertoire uitgekeken raakten, was de buit goeddeels binnen. Hun grootste succes van latere datum was prompt het tegenovergestelde: Peggy Lee’s melancholieke terugblik ‘Is That All There Is?’ uit 1969. Graag hadden ze nog een nieuw hoogtepunt willen creëren door een musical te schrijven. Dat plan is tot nu toe niet van de grond gekomen, maar ze hebben de hoop nog niet opgegeven.