Verstorende omroep

Minister Plasterk (OCW, PvdA) heeft ten aanzien van kranten een dubbele houding. Kranten, zegt hij, moeten zelf hun problemen oplossen. Maar omdat ze het moeilijk hebben, biedt hij ze wel gratis jonge journalisten aan en innovatiesubsidie. Zo denkt hij uitgevers te helpen om op de korte termijn de bedrijfsvoering weer op orde te brengen. Het zijn heel beperkte maatregelen die op zijn best onschadelijk zijn, maar die het probleem zelf niet aanpakken.

Plasterk gaat voorbij aan het belangrijkste: de marktverstoring. De publieke omroep krijgt zo’n half miljard subsidie per jaar, maar verdient ook geld met advertenties. Daardoor worden de reclametarieven kunstmatig laag gehouden en dat schaadt alle media. Ook op internet is sprake van oneerlijke concurrentie: uitgevers die daar omzet proberen te maken, ontmoeten er opnieuw de publieke omroep, die met gratis nieuwswebsites ook deze markt bederft.

De commissie-Brinkman sprak zich eerder uit over die oneerlijke concurrentie en bepleitte een nieuwe taakafbakening voor Hilversum. Ook krantenuitgevers vragen al jaren om een gelijk speelveld. Maar de minister gaat daar niet op in. Hij gaat wel onderzoeken of reclame via de publieke omroep „verdringingseffecten” heeft op advertenties in andere media. Dit is de verkeerde vraag. Het gaat niet om verdringing, maar om prijsvorming. Een reclamevrije publieke omroep is een belangrijk deel van de oplossing.

Verder wil de minister de publieke omroepen verplichten hun programmagegevens per week ter beschikking te stellen. Nu mogen dagbladen slechts de gegevens van één of, in het weekend, enkele dagen kopen en publiceren. Plasterk is, terecht, voor een bredere beschikbaarheid, maar dan wel tegen vergoeding. Hoezo vergoeding? Voor die gegevens is al betaald, door de belastingbetaler. Ook hier vertegenwoordigt de minister het belang van de publieke omroep, waar hij juist zou moeten terugtreden.

De minister stelt dat het in het digitale tijdperk lastig is verdienmodellen voor nieuws te ontwikkelen. Inderdaad, dat is lastig, maar niet onmogelijk. Kranten als The Wall Street Journal en Financial Times laten zien dat je op internet kunt verdienen. Ook sommige Nederlandse uitgevers verdienen met digitale abonnementen, al is het lastig te concurreren met de gratis nieuwssites van de publieke omroep. Plasterk zou die oneerlijke concurrentie moeten erkennen. In plaats daarvan stelt hij samenwerking voor: de publieke omroep zou beeldmateriaal ter beschikking moeten stellen. Wat kranten in ruil moeten doen, is onduidelijk. Kortom, een oplossing die niet helder is, geen antwoord vormt op enig dringend probleem en tot verlies van journalistieke en economische zelfstandigheid zal leiden.

Dag- en weekbladen moeten geen onderdeel zijn van de door de overheid gesubsidieerde media. Onafhankelijkheid, ook financiële, onafhankelijkheid, is voor kranten een groot kapitaal – en tevens hun wezenskenmerk.