Verheffers en verstrooiers strijden om de VARA

Huub Wijfjes: VARA. Biografie van een omroep. BOOM, 639 blz., geïll. € 49,95

Het is nogal een klus, verzucht Huub Wijfjes in de inleiding van zijn dikke boek over de geschiedenis van de VARA. Want waar begin je zo’n historisch onderzoek? Alle programma’s bekijken en beluisteren is onmogelijk. Het scala loopt van Ome Keesje tot Paul de Leeuw, van The Ramblers tot Kinderen voor Kinderen, van In de Rooie Haan tot De Wereld Draait Door. Je verdiepen in bekende VARA-figuren? Dat zijn er honderden: Peter Pech, Paul Witteman, Annie M.G. Schmidt, Dorus, Hanneke Groenteman, Willem Ruys, Herman Wigbold, en ga zo maar door.

De bestuurders? Jan Broeksz, André van der Louw, Marcel van Dam, Vera Keur, Jaap Burger? Belangrijk, soms kleurrijk, vaak saai. Uiteindelijk besloot Wijfjes al die perspectieven te combineren tot een ‘biografie van een omroep’, een chronologisch verhaal over het leven van deze organisatie.

Net zoals een persoon, zegt Wijfjes, heeft ook een omroep een leven, wordt hij volwassen en is er een ‘voortdurend leerproces met vallen en opstaan, consensus en confrontatie.’

Als je zijn uitbundig vormgegeven boek na 576 tekstpagina’s dichtklapt, voel je met de auteur mee, want ook het lezen is nogal een klus. Dat ligt niet aan Wijfjes. Hij schrijft in een soepele stijl, geeft levendige beschrijvingen van alle hoofd- en bijfiguren en schuwt de anekdote niet.

Het ligt vooral aan het onderwerp van zijn studie. Het vallen en opstaan is in deze goed gedocumenteerde biografie zo dominant aanwezig, dat je je af en toe afvraagt hoe het mogelijk is dat de hoofdpersoon nog leeft.

De geschiedenis van de VARA is van intriges en tegenstellingen doordesemd. Voeg daarbij de eeuwige complicaties en stelselwijzigingen van het omroepbestel en je hebt twee solide voorwaarden voor een buitengewoon onrustig bestaan.

Pas de laatste jaren is er een relatieve kalmte ingetreden. Misschien omdat de eeuwige opgave van de VARA – dat zij groot én rood moet zijn – iets van zijn scherpte heeft verloren. De kijkers zijn inmiddels meer in de kwaliteit dan in de tendens van de programma’s geïnteresseerd.

En de Partij van de Arbeid dringt ook niet meer zo aan. In 1979 verloor de partij zijn kwaliteitszetels in het VARA-bestuur. Daarna hebben de socialisten in de informele netwerken nog veel invloed in de omroepvereniging gehad, maar tegenwoordig hebben ze hun ideologische strijdpunten wat minder duidelijk voor ogen.

Maar daarvoor is de relatie tussen de VARA en het socialisme altijd moeilijk geweest. De VARA begon zijn leven in 1925 als een club van radioamateurs. Arbeiders die te weinig verdienden om een kant en klaar radiotoestel te kopen, maar die, aangespoord door een rubriek in het socialistische dagblad Het Volk, zelf hun radio’s in elkaar soldeerden.

Een geregeld aanbod van uitzendingen was er niet, iedereen die wat wilde uitzenden kon zich wenden tot de Hilversumse Draadloze Omroep, een organisatie die zendtijd huurde bij een aantal fabrikanten van radio-onderdelen. In 1925 sprak de Amsterdamse wethouder F.M. Wibaut als eerste socialist voor de radio.

Toen de SDAP bij de volgende verkiezingen een flink aantal stemmen won, groeide de belangstelling voor dat nieuwe medium. Maar de partij zag niets in een stelsel van omroepverenigingen. Radio was net als water, de post en de telefoon een nutsvoorziening en die moest uit de belastinggelden betaald worden, vonden de socialisten. Er moest dus een nationale omroep komen. Dat idee deelde de SDAP met vele anderen, maar de geschiedenis verliep anders. De VARA maakte met de inmiddels ook al gevormde christelijke omroepverenigingen een gezamenlijk front tegen de plannen voor een nationale omroep, en in 1928 besloot de Tweede Kamer dat de zendtijd ‘naar billijkheid’ zou worden verdeeld onder de verenigingen.

Hetgeen de SDAP en de VARA aan elkaar uitleverde. De partij sprong menigmaal financieel bij en heel wat socialisten waren zowel in de VARA als in de politiek actief. Mensen als André Kloos, Jan Nagel, Marcel van Dam en Felix Rottenberg. Die ideologische en personele banden leidden er ook toe dat het debat tussen de verheffers en de verstrooiers nooit ophield.

Moesten de programma’s vooral kijkers en luisteraars trekken, of moesten ze de mensen iets bijbrengen, het liefst sympathie voor de sociaal-democratie? Er werd veel over vergaderd en geruzied, waarbij kwam dat de experimenten met vergaande medezeggenschap en zelfbestuur in de jaren zeventig de vereniging jarenlang zo goed als onbestuurbaar maakten.

Toch heeft de VARA, zo benadrukt Wijfjes, een indrukwekkende reeks legendarische programma’s gemaakt: Zo is het..., Hadimassa, Dingen van de Dag, Achter het Nieuws, Mies en Scène, De Ombudsman, Pension Hommeles, Ja Zuster Nee Zuster, shows van Sonja Barend, Wim Kan, Paul de Leeuw, Rudi Carrell, Willem Ruys – het is maar een greep. Hoe is dat te verklaren? Wijfjes komt er niet helemaal uit, hij houdt het in zijn epiloog op precies die opgave die de VARA altijd heeft geteisterd: tegelijkertijd groot en rood willen zijn. Een ideaal is blijkbaar zo gek nog niet.