Veenmosorchis in Varkensland

Op hem bekende en onbekende plekken beschouwt Koos van Zomeren de natuur in een tweewekelijkse rubriek.

Ik heb een zwak voor onopvallende orchideeën, en de onopvallendste orchidee die ik me kon herinneren was de veenmosorchis, augustus 1996, brongebied van de Mosbeek, achterin Twente.

Dat wil zeggen, ik herinnerde me die dag, ik herinnerde me dat gebied, van het plantje zelf herinnerde ik me, behalve de naam, niets. Foto’s hielpen niet, foto’s maken het onopvallende juist opvallend. En mijn beschrijving van toen hielp evenmin: „Een bleekgroen stengeltje met bleekgroene bloempjes, die pas bij gebruik van leesbril als variant op het bekende orchideeënthema worden herkend.”

Leesbril? In ’96 al?

Nu zag ik in de gids van Kreutz dat de veenmosorchis, zeer spaarzaam, ook voorkomt in het veen boven Amsterdam. Je zou zeggen: heel ander landschap. Maar zo’n plantje kijkt niet naar de verschillen, het kijkt naar de overeenkomsten, en die zijn er kennelijk genoeg – zijn aanwezigheid bewijst het. Daar heb je het Noord-Hollands Kanaal met links het Ilperveld van Landschap Noord-Holland en rechts Varkensland van Staatbosbeheer. Niels Hogeweg en Martin Witteveldt van links, die hun veenmosorchissen zijn kwijtgeraakt, zouden eens gaan buurten bij Ton Pieters van rechts, die zijn veenmosorchissen ziet toenemen. Ik mocht mee.

De terreinen waar we moesten zijn, waren alleen per bootje bereikbaar – dat geeft zo’n dag meteen al iets looms. Bovendien stond de zon stralend aan de hemel. Watergangen, rietkragen, weilandjes. Iemand zag een roerdomp verdwijnen, iemand zag baardmannetjes vliegen, iemand meende een kleinst waterhoen te horen. En koeien waren er ook, ze keken zwijgend op ons neer.

Toen we in het rietveld aan land gingen, keek Niels verwonderd rond. „Hier zou ik ze nooit gezocht hebben.” Te droog. Te veel haarmos. Maar hij stond er wel degelijk, veenmosorchis!

„Nieuwe groeiplaats”, zei Ton bescheiden. „Sinds 2006 ongeveer; vorig jaar hadden we er veertig.”

„Er zijn dus mogelijkheden tot herstel”, zei Martin hoopvol.

We vonden er verscheidene en zelfs de opvallendste was niet opvallender dan een draadje groene wol. Zoals wij zoekend door het riet gingen, dat had iets reigerachtigs. Terug in het bootje, naar een ander perceel. Dat sópte tenminste, daar was de begroeiing ijler. Al doende wisselden de mannen ervaringen uit over waterbeheer (peil en kwaliteit), maairegime en de effecten van begrazing.

Terug naar het bootje, nu naar een hoekje van het Ilperveld. Hier hádden ze gestaan, tachtig exemplaren wel, maar in 2005 voor het laatst. Ton vond er één, Ton vond ook een tweede. Niels en Martin blij. Nieuwe exemplaren misschien. Of exemplaren die bij de vorige inventarisatie gemist waren. Veenmosorchissen zoek je gebukt of op je hurken. Je houdt je hand vlak boven de bodem om de vegetatie open te schuiven. Dan merk je pas hoe warm het daar op zo’n dag wordt. Na een minuut of tien begon ik me alweer af te vragen: wat zochten we ook weer, hoe zagen ze er eigenlijk uit? Toen zei Ton: „Laten we het er maar op houden dat er twee staan en dat we die allebei gevonden hebben.” Ja, een vleugje humor erbij, dat maakt de natuur onweerstaanbaar.