U bent rijk, dát is uw fout

Giovanni Verga schreef woorden, maar je ziet beelden, in zinnen die bewegen als zwenkende camera’s. Het tweede deel van zijn onvoltooide cyclus is nu spetterend vertaald.

De Etna op Sicilië Foto Yadid Levy/Anzenberger/HH Italy / Sicily / Enna / Landscape around Enna with Etna mountain in the background. © Yadid Levy / Anzenberger / Hollandse Hoogte. Uit serie: Italy, Sicily (115x). Yadid Levy/Hollandse Hoogte

Giovanni Verga: Baas don Gesualdo (Mastro-don Gesualdo). Vert. Yond Boeke en Patty Krone. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 418 blz. € 24,95

Gesualdo Motta, spil van de roman Baas don Gesualdo (1889) is oud als hem eindelijk de waarheid wordt gezegd. Het volk, de verzamelde dorpsgenoten die hij zijn leven lang heeft gekend en bij wie hij vindt dat hij hoort ook al trouwde hij de adel in, dreigt per meute zijn huis te bestormen. Hij kan het niet geloven. Wat heb ik gedaan? bromt hij. Het antwoord wordt hem door de pastoor in zijn oor getoeterd:

‘Wat u gedaan hebt? U bent stinkend rijk, dat hebt u gedaan!’

Eindelijk begint het inzicht door te breken. De adel moet hem niet ondanks zijn geld, zijn klassegenoten moet hem, met al zijn geld, niet meer. Hij is een selfmade heer die de titel van ‘don’ draagt, maar wie het bijbehorend gezag niet beschoren is. ‘Baas-don Gesualdo’ noemen ze hem, want hij blijft altijd een ploegbaas; ‘meneertje Gesualdo’, zou je ook kunnen zeggen.

Het inzicht zet zijn definitieve aftakeling in. Van een krachtige macho, begonnen als een gewiekst metselaar/aannemer en uitgegroeid tot de bulderende alfa-aap aan het hoofd van een stel grote Siciliaanse landerijen, laat Giovanni Verga hem voor onze ogen vervallen tot een kwijnend skelet, stiekem huilend met zijn gezicht naar de muur. Het oudbakken liefje dat hem diende, tot hij trouwde met een adellijk ouder meisje en haar opzijschoof, komt aan zijn bed pleiten voor hun twee, door hem niet erkende, zoons. Ze hebben zich misdragen, ze sloten zich aan bij de opstandelingen die uit waren op plundering van zijn huis. Wil hij ze vergeven? Omdat het haar niet gaat om geld of grond maar om morele inspanning, kan Gesualdo haar bede niet bevatten. Ze wordt weggejaagd en met haar verdwijnt zijn enige kans op gevoel en medeleven.

Er beieren veel van zulke veelbetekenende misverstanden boven de roman. Ze worden slechts aangeduid, maar zijn zo klaar als een klontje, door de insinuerende beschrijvingen van lichaamstaal, en door de dialogen, waarin superieur wordt getroffen hoe mensen door en langs elkaar heen kunnen kwaken... eh, praten. Daar schittert het genie van Verga. Hij vat even trefzeker samen wat mensen drijft en definieert. In een zin vervat hij bijvoorbeeld wat de adel onderscheidt van de rest van de mensheid. Dat is niet de pracht of de praal, en ook niet de noblesse die verplicht, maar het automatisme waarmee iemand zich alles kan permitteren: ‘En te midden van al die troep woonde de markies als een vorst, schaamteloos zijn armoede etalerend.’

Baas don Gesualdo is het tweede deel van de romancyclus die Giovanni Verga (1840- 1922) acht jaar eerder was begonnen met I Malavoglia, in het Nederlands vertaald als De Leeglopers. Het had een pakket van vijf romans moeten worden die samen ‘de drijfveren van het menselijk handelen’ zouden beschrijven. Verga meende ze weerspiegeld te zien in de respectieve sociale klassen. Met De Leeglopers, dat wordt gedragen door de geschiedenis van een berooide vissersfamilie, beschreef hij het effect van armoede. In deel drie, De hertogin van Leyra, zou de adel aan bod komen, de klasse voor wie bezit zodanig vanzelf spreekt, dat ontembare zelfingenomenheid toeslaat. Maar Verga gaf het derde boek op. Het bleef onvoltooid, net als de rest van de aangekondigde cyclus.

Op zijn ideeën over de adel neemt Verga een voorschot in Baas don Gesualdo, het tweede deel. In die roman buigt hij zich over de kleinsteedse middenklasse. Hij pakt haar peilloze hebzucht bij de kladden en smijt hem de lezer in het gezicht. Mededogen kent hij niet, aan verzachtende omstandigheden worden geen woorden vuilgemaakt, of het moeten de hartverscheurende omstandigheden zijn waarin arm en rijk verkeren, in een leven van vuil, ziekte en een opvallend gebrek aan tederheid. En terwijl de algemene materiële ontevredenheid het leven ontwricht, fungeert de sociale controle als dwangbuis en de roddel als bermbom. Wie zich weet te onttrekken aan armoede wekt slechts minachting (en wie dat niet lukt ook).

Dat Baas don Gesualdo voor Nederland ontsloten is, danken we aan het initiatief van het vertalersduo Yond Boeke en Patty Krone. Na Verga’s De leeglopers in spetterend Nederlands te hebben overgezet, laten zij opnieuw en even enthousiast Verga’s stijl vonken. Hij schreef woorden, maar je ziet beelden, in zinnen die bewegen als een zwenkende camera’s. Het verslag van een brand die een scandaleuze ontmoeting dreigt te onthullen, versnelt en versnelt en versnelt, met telkens meer types die elkaar voor de voeten lopen, acterend als in een slapstick van een van Hollywoods comedy capers. Komt er een processie langs, dan beweegt die op de pagina’s, alsof de sociaal-kritische filmer Nanni Moretti hem vastlegde, verrukt door het gevoel wat er stroomt en met een kien oog voor komische details. Komt er een geparfumeerde hertog bij Gesualdo in huis om te dingen naar de hand van zijn dochter, dan dingt hij naar haar bruidsschat, wat hij met zijn spraakwaterval verraadt. De scène wordt visueel verrijkt met het personeel dat ‘bij de kippenren’ (waar ze horen) iets wijzer probeert te worden en met ‘een hele kring van mensen die blijkbaar niets beters te doen hadden’ en die allemaal, van baron tot knecht tot kijvende dame, in flitsende halve zinnen worden opgevoerd.

Verga’s tornado’s van zinnen poetsen Boeke en Krone op met passend swingend Nederlands, grappig, snel, modern, en recht doend aan een verhaal dat zich in de eerste helft van de 19de eeuw afspeelt.

Ik wil maar zeggen: Baas don Gesualdo is een adembenemend boek. De lezer wordt meegesleept in een hortend verhaal van verval dat niettemin surft op die vloedgolf van personages. Ze zijn allen kleinzielig op hun eigen wijze en toch is het onmogelijk om te ontkomen aan hun charme. Verga beschrijft ze onbarmhartig, wreed en opgeruimd, op een manier die verwant is aan zijn Russische tijdgenoten, Tolstoj en Gogol. Uiteraard wordt er in zijn werk niet in de Russische ziel gestaard, hij tuurt in de Italiaanse ziel: te exuberant voor fatalisme, te levenslustig voor melancholie, extatisch in zijn afgrondelijkheid.

Een bespreking van Verga’s De leeglopers staat op nrcboeken.nl