TIJDSCHRIFT

Het Nijmeegse Parmentier kan gebrek aan engagement niet worden verweten. Na het groene nummer van de voorbije winter komt het nu met een ‘dossier Pecunia’. Van ‘straatrumoer’ kan evenwel niet gesproken worden, want de redactie heeft een voorkeur voor de wat hoogdravender beschouwing. Een zin als ‘In hun visie is geen plaats voor een deterministisch, dialectisch of teleologisch materialisme, wel voor een aleatorisch materialisme,’ is in Parmentier niet ongewoon. Dat neemt niet weg dat ditmaal een mooi boeket aan stukken is samengesteld, onder meer over de rol van geld in de grote romans uit de wereldliteratuur (Balzac, Zola, Austen). Dat werkt beter dan de niet geheel overtuigende analyse van een roman als Zwerm van Peter Verhelst, waarover Sven Vitse betoogt dat deze de geldeconomie weerspiegelt, omdat herhaling, variatie en circulatie er net als in de geldeconomie een rol in spelen. Dossier Pecunia draait ook om de vraag of geld voor kunstenaars nu eigenlijk stinkt of niet. Kevin Abselis beschrijft in een amusant stuk hoe Hugo Claus zijn imago van bohémien gedurende de jaren tachtig inruilde voor een tegendraadser masker; dat van commerciële hoer en mopperende burger. ‘Ik voel mij over het algemeen te zwaar belast; te veel drank, te veel vrouwen, te veel belastingen.’ In het al even gewiekste stuk van Gaston Franssen over de economische lessen van poëzie blijkt hoe dominant dat romantische beeld van de bohémien nog altijd is. Gerrit Komrij dichtte over de bloedbevlekte, beschamende gulden, maar maakte ook een bloemlezing over ‘pecuniaire poëzie’ voor Van Lanschot bankiers. En Franssen vraagt zich suggestief af ‘wat Komrij – wiens naam op zich al bijna een anagram van rijkdom is – daarvoor heeft mogen vangen’.