Soms kunnen een paar algoritmen wonderen doen

Al enige jaren woedt in de danswereld de discussie of dans als zelfstandige discipline nog levensvatbaar is. Is de dans uitgeput? Zal er over vijftig jaar nog wel een publiek zijn voor dansvoorstellingen zoals we die nu kennen? Laat stáán voor het klassieke repertoire, bevolkt door zwanen, prinsen, tempeldanseressen en dode dorpsmeisjes? Kan de dans niet beter opgaan in een ‘pandisciplinaire’ theatervorm, die we te zijner tijd op afstand, real time bijwonen via onze doorgeëvolueerde iPod?

Aangespoord door dergelijke vragen zijn veel danskunstenaars op zoek naar nieuwe impulsen voor hun creativiteit. Naast traditionele inspiratiebronnen (muziek, beeldende kunst, psychologie en literatuur) is hernieuwde aandacht ontstaan voor ‘maatschappelijk relevante’ onderwerpen, zoals immigratie, informatie-overkill, botsende culturen en dergelijke. Om die thema’s op een eigentijdse manier vorm te geven, gaan hedendaagse choreografen niet zelden te rade bij de (exacte) wetenschap: informatica, neurofysiologie, biotechnologie, noem maar op.

De belangrijkste voormannen van deze ‘wetenschappelijke tendens’ waren de onlangs overleden Merce Cunningham, die als een van de eersten de danscompositorische mogelijkheden van de computer toepaste, en William Forsythe. Al ruim twintig jaar geleden snoerde hij de dansjournalist de mond door te vertellen dat hij choreografieën maakte op basis van algoritmen. Algoritmen! O Jezus, wat waren dat ook alweer! Wiskunde, moeilijk, help!

Tegenwoordig kijkt niemand meer op van een programmaboekje dat wemelt van de wetenschappelijke termen en verwijzingen naar theorieën en publicaties van Nobelprijswinnaars. De dans is niet van de straat, willen we maar zeggen, en het is waar, soms leidt een en ander ook búíten de pagina’s van de programmatoelichting tot intrigerende resultaten.

Nu is er één gebied in de wetenschap waarvan de danskunst veel profijt zou kunnen hebben, zeker binnen ons dichtbevolkte landje. Maar juist daarvoor bestaat geen enkele belangstelling. En dan bedoel ik niet de ontwikkeling van de ergonomische spitz . Nee, dan bedoel ik iets heel prozaïsch en volkomen onartistieks.

Wat dansgezelschappen volkomen links laten liggen, terwijl dat hun zelf, het danspubliek, de pers en de lezers van de kunstpagina veel voordeel zou kunnen opleveren, is het in elkaar sleutelen van een premièreplanning die onderling op elkaar is afgestemd. Maar directieoverlegclubs en andere koepels doen geen moeite premières enigszins gelijkmatig over het seizoen te spreiden, met als gevolg dat de agenda de ene maand uit zijn voegen barst, terwijl er een maand later bijna niets te doen is. Hier zouden een paar algoritmen wonderen kunnen verrichten. Ik zou zeggen: huur een planner van de NS in. Beter nog: mijn nichtje. Die jongleert virtuoos met algoritmen en roosters, blijkens haar meesterwerk The Influence of the Stochastic Input in Max-plus Systems on the Lyapunov Exponent. Kijk, dat is wetenschap waar je iets aan hebt.