Kans voor cricketers tegen Engelse profs

De Nederlandse cricketers versloegen Engeland deze zomer op het WK Twenty20.

Nu wacht een nieuwe uitdaging: deelname aan de Engelse Pro40-competitie.

Voor het WK cricket van 2011 had het Nederlands elftal zich al geplaatst. Volgend seizoen wacht een uitdaging die misschien minder chic, maar sportief gezien zeker zo interessant is: deelname aan de nieuwe Engelse Pro40-competitie. De Nederlandse ploeg speelt daarvoor twaalf wedstrijden tegen de topcounties, de Premier League van het Engelse cricket.

„Wij zijn heel blij met deze kans”, zegt assistent-bondscoach Roland Lefebvre, die zelf als profcricketer jarenlang in Groot-Brittannië speelde. „Het is heel belangrijk meer wedstrijden te spelen tegen betere tegenstanders.”

Nederland schreef afgelopen zomer geschiedenis door op het ‘heilige’ gras van Lord’s, in Londen, Engeland te verslaan op het WK Twenty20. Lefebvre vermoedt dat die prestatie, die een prominente plaats kreeg op alle Engelse voorpagina’s, een rol heeft gespeeld bij het besluit van de Engelse bond (ECB) om Nederland uit te nodigen.

Nederland kwam al eerder uit in nationale bekertoernooien in Engeland. Sinds 1995 speelden de Nederlanders enkele jaren mee in het toernooi om de NatWest Trophy. Maar dat avontuur, een knock-outcompetitie, was meestal na één of twee duels afgelopen voor de Nederlanders. Het niveau van het hoogste Engelse clubcricket was meestal te hoog gegrepen, al haalde de ploeg in 1999 een historische zege op Durham, de huidige kampioen van Engeland.

Nederland kreeg de afgelopen jaren echter geen voet meer aan de grond in Engeland. Lefebvre: „Daardoor loop je toch een enorme achterstand op in je ontwikkeling als cricketland. We zijn achterop geraakt bij een land als Ierland, dat een veel bredere basis heeft dan wij.”

Het lijkt typerend voor de situatie waarin Nederland al jaren verkeert, in de subtop van het internationale cricket. Terwijl voormalige concurrenten als Zimbabwe, Bangladesh, Kenia en Ierland de sprong naar de A-landen hebben gemaakt, blijft de kloof tussen Nederland en de wereldtop enorm.

Inmiddels heeft ook Afghanistan, tot voor kort nog een cricketdwerg, laten zien dat het op weg is Nederland in te halen. En typerend voor de snelle opmars van de Ierse cricketers is dat zij het zich kunnen veroorloven om zich terug te trekken uit de Engelse competitie, met het achterliggende idee de aandacht naar internationale wedstrijden te verleggen.

Dat heeft onder meer te maken met de mate van professionalisering van de sport in Nederland. Een enkeling verdient een contract in Engeland, zoals de jonge batsman Alexei Kervezee bij Worcestershire, maar de meeste Nederlandse toppers blijven amateur en hebben moeite zich voldoende vrij te maken voor wedstrijden van het Nederlands elftal.

Maar dat lijkt nu te gaan veranderen, zegt Lefebvre. „We zijn bezig met het opstellen van contracten voor de internationals, zodat zij gemakkelijker kunnen blijven spelen voor het Nederlands elftal. Volgend jaar moeten de internationals zestig of zeventig vrije dagen opnemen. We zijn dus op weg naar semiprofessionele sport.”

Juist de internationale contacten met Engeland kunnen de Nederlandse spelers naar een hoger niveau tillen, weet Lefebvre uit ervaring. Hij speelde in de jaren negentig als professional op het hoogste niveau, voor Somerset en Glamorgan, en werd met die laatste county in 1993 kampioen van Engeland in de eendaagse competitie. Zijn bowlingcijfers van 7 voor 15 voor Somerset staan nog steeds in de recordboeken.

„Het is voor jonge spelers belangrijk dat ze meerdere wedstrijden achter elkaar op hoog niveau spelen”, zegt Lefebvre. „Zij hebben de tijd nodig om aan dat niveau te wennen.”

Wat dat betreft komt de nieuwe kans in de Engelse competitie als geroepen. Nederland speelt volgend jaar zes keer thuis, en zes keer uit. „Onze cricketers kunnen zich in de kijker spelen in Engeland. Daar kijken de topclubs altijd met interesse naar spelers uit Europa. Maar dit is een goede kans voor het hele Nederlandse cricket om reclame te maken voor zichzelf.”