'Ik weet graag wat ik niet weet'

De gevierde classica Mary Beard schreef boeken die de klassieke oudheid dichtbij brengen. In haar net verschenen studie komt Pompeï wel héél dichtbij: ‘Het stonk íets minder dan ik beweer.’

Er zit leven in Mary Beards Pompeï. Het geratel van de karrewielen weerklinkt tegen de huizen van de Romeinse stad in Campanië die in 79 na Christus na een uitbarsting van de Vesuvius onder een dikke laag lava bedekt is geraakt. Geiten, varkens en ezels scharrelen tussen de bewoners door. De straten liggen vol stront en afval, po’s worden uit ramen gekiept, voorbijgangers nemen een snelle snack bij een bar, in het amfitheater piesen toeschouwers naar beneden, de bewoners flossen en poetsen hun tanden niet en dus stinken ze uit hun mond. Na zijn bezoek aan een hoer schrijft iemand in het Oskisch op de muur van haar peeskamer ‘ik had het goed hier’. „Dit opschrift in een bordeel is het laatste spoor van die taal; uniek in de geschiedenis van talen,” zegt de Britse classica Beard lachend.

De kiem voor haar onderhoudende boek Pompeï, het dagelijks leven in een Romeinse stad werd gelegd toen ze als studente voor het eerst een bezoek aan Pompeï bracht. „Ik had in Cambridge net een collegereeks over alle aspecten van de Vierde Schilderstijl in Pompeï achter de rug en dacht dus wel een expert te zijn op dat gebied. Ik zou een vriendin wel eens even rondleiden en haar uitleggen hoe het zat met de stad. Maar alles was anders dan ik had gedacht en ik kon er niets van maken. Hoe zat het met de hoge stoepen in de straten, waar sliepen de mensen en waar gingen ze naar de wc? Allemaal vragen die bij je opkomen als je door de stad rondloopt, maar die toeristen niet durven te stellen omdat ze denken dat ze dan dom worden bevonden. Vragen ook waar de rondleiders bewust aan voorbij gaan. Dat kan ik zeggen, want ik heb ze tijdens de vijftig, zestig keer dat ik de stad intussen heb bezocht, geregeld geobserveerd.”

Mary Beard nam zich voor ooit een boek te schrijven over Pompeï dat aansluit bij wat een bezoeker ziet. „Zonder de leugens en halve waarheden van veel wetenschappers, maar eerlijk en zonder de zaken eenvoudiger te maken dan ze zijn.”

Gevierd wetenschapster

Zo’n dertig jaar later is het boek er en doet Beard Nederland aan voor een korte promotietour met lezingen en interviews. Als hoogleraar klassieke talen aan het Newnham College in Cambridge is ze op haar 54ste een gevierd wetenschapster. Wel een van de soort die met haar tijd meegaat. Terwijl ze als studente posters van Black Power en Angela Davis aan haar muur had hangen, heeft ze sinds een paar jaar het bloggen ontdekt. Op A Don’s Life komen allerlei onderwerpen langs, variërend van een bezoek aan een wetenschappelijk congres over sarcofagen tot de Britse gezondheidszorg en de ‘zegeningen’ van seksuele intimidatie in de academische wereld. Als ze voor het interview met de fotograaf over een Amsterdamse gracht wandelt, en ziet hoe een kraan op een boot fietsen uit het water vist, pakt ze haar i-Phone en neemt een foto. „Daar zit een blog in. Dat moeten ze in Cambridge ook doen.”

Haar brede belangstelling is ook terug te vinden in de variatie van onderwerpen die ze in haar boeken behandelt. Klassieke teksten en auteurs waren voor haar aanleiding om zich met gebruik van verwante wetenschappen als filosofie, oude geschiedenis en archeologie te buigen over onder meer het Parthenon, Romeinse religie, de triomftocht en het Colosseum (met oudhistoricus Keith Hopkins). En iedere keer haalde ze met plezier en gevoel voor humor een vastgeroest idee omver: nee, in het Colosseum zijn nooit christenen vermoord, en er waren geen leeuwen in de arena, maar schapen.

Ook in haar nieuwste boek gaat Beard oude en nieuwe mythen en stereotypen te lijf. „Pompeï staat nu bekend als de stad waar de tijd is stilgezet, maar in de 18de eeuw, de periode van de Romantiek, was het nog de stad van de doden. Bezoekers kwamen binnen via de begraafplaats. Pompeï gold als één groot memento mori. Verder had je de afdrukken van de mensen die bij de uitbarsting waren omgekomen. Ook onder de toeristen van die tijd waren die het populairst. Mij raken ze ook nog emotioneel – ze zijn net zo fascinerend en gruwelijk als de beelden van de mensen die je tijdens 9/11 naar beneden zag springen en vallen.”

In de 19de eeuw is dit beeld veranderd. Als ‘schuldige’ noemt Beard de roman De laatste dagen van Pompeï van Edward Bulwer-Lytton, „de Dan Brown van de 19de eeuw”. Hij zette in Pompeï de tijd stil en gaf de mensen een verhaal vol goedkope stereotypen, met een Egyptische priester als boef, maar ook met een fantasierijk oog voor het alledaagse. Zo schilderde hij in geuren en kleuren een luxueus diner in een huis, waarvoor wat het huidige Huis van de Tragediedichter model heeft gestaan. Fijntjes merkt Beard op dat in werkelijkheid achter het betreffende huis de werkplaats van een met urine werkende volder (iemand die stoffen vervilt, red.) is gevonden. „Op de achtergrond van het chique etentje moet een uitgesproken onaangename geur hebben gehangen.”

Het door Bulwer-Lytton geschetste beeld van een stad die onverwachts door de uitbarsting is overvallen, werd in romans, opera’s en later in films overgenomen. Ten onrechte, zegt Beard. „De meeste bewoners hebben de uitbarsting zien aankomen – de Vesuvius was al weken onrustig en joeg af en toe flinke wolken de lucht in – en ze zijn dus op tijd met hun bezittingen gevlucht. Waarschijnlijk zijn om die reden maar 400 doden en weinig gebruiksvoorwerpen gevonden.”

Pompeianisti

Het foute beeld van Pompeï heeft volgens Beard zo lang kunnen blijven bestaan, omdat de wetenschappelijke wereld het gewone leven en de vragen die daarbij horen, niet interessant heeft gevonden. „De Pompeianisti wilden vooral een steeds verdergaande verfijning aanbrengen in de indeling van de schilderingen in vier schilderstijlen. Vooral Nederlandse archeologen hadden daar een handje van. Willen bepalen of een schildering in juni of juli 63 is gemaakt. Get real!”

Beard leidt daarom de lezer rond als de door haar gedroomde gids. Ze laat aan de hand van verschillende thema’s zien dat het dagelijks leven in Pompeï fascinerend is, omdat het zowel erg op dat van ons lijkt – de inwoners eten, slapen en vrijen – als verschilt: slaven zijn voor hun eigenaren gebruiksvoorwerpen; vrijen in de aanwezigheid van slaven is daarom normaal. Ze legt verder uit hoe het eenrichtingsverkeer in de stad werkte, vertelt dat de hoogte van de stoepen erop wijst dat de straten vol water en stront waren, gaat in op het lokale bestuur, verkiezingen en de rol van religie in het maatschappelijke en persoonlijke leven en merkt op dat de vondst van potten met het etiket ‘koosjere garum’ (een soort vissaus) duidt op de aanwezigheid van een Joodse gemeenschap in Pompeï.

Mogelijk stelt ze enkelen teleur door te concluderen dat Pompeï geen grote hoerenkast was, en maar één bordeel kende. En laten we alsjeblieft niet elke grafitto letterlijk nemen, voegt ze er aan toe. „Als ergens staat dat de barmeid vier as (Romeinse munteenheid, red.) kost, denken veel geleerden ‘ha, de prijs van een prostitué’. Maar als op het bushuisje in mijn buurt ‘Tracy sucks for 10p’ staat, betekent dat ook niet meteen dat Tracy daar haar beroep uitoefent. Het gaat gewoon om een belediging.” En als ze iets niet weet zegt ze het ook. „Wat dat betreft ben ik heel Socratisch. Ik voel me beter als ik weet wat ik niet weet.”

Beards benadering levert een verfrissend beeld op, maar de vraag is of haar Pompeï wél het echte Pompeï weergeeft. Stonk het echt zo erg? Varkens staan immers bekend als vierpotige vuilnismannen. „Misschien stonk het iets minder dan ik zeg. Maar de aanwezigheid van varkens op straat levert sowieso een ander beeld op dan de bekende oude illustraties met schone straten zonder mensen en dieren.”

Hoe komt Beard aan het aantal van 12.000 inwoners. En was de haven van Pompeï echt een knooppunt van internationale handelscontacten?

„De schattingen van het aantal inwoners lopen uiteen van 8.000 tot 20.000. Dat is een wereld van verschil, maar echte harde data ontbreken en ik ben maar veilig in het midden gaan zitten. Pompeï was, getuige een beeldje van een Indiase godin en de koosjere garum, in ieder geval echt onderdeel van een imperium. Zo’n imperium heeft natuurlijk zijn verschrikkelijke kanten, maar heeft ook één groot voordeel. Het laat bewoners zien dat er meer is dan de eigen stad en verandert hun denkwereld in positieve zin. Het Romeinse Rijk vervulde dezelfde rol als nu het World Wide Web.”

Mary Beard: Pompeï, het dagelijks leven in een Romeinse stad. Vertaald door Boukje Verheij. Athenaeum, Polak &Van Gennep, 746 blz. €29,95